Dordrecht, 13 oktober 2026
Bron laatst gecontroleerd op 7 oktober 2026.
Artikel 40 vragen: Huisvesting statushouders Datum: 17 september 2026
Geacht college,
In de raadsinformatiebrief van 8 september 2026 schrijft het college dat een inhaalslag is gemaakt bij de huisvesting van statushouders. De provinciale brief van 1 juli 2026 bevat hierover concretere cijfers. Wij vinden de informatie aan de raad echter onvoldoende duidelijk over hoe deze inhaalslag tot stand is gekomen. Daarom stellen wij de volgende vragen:
1. Cijfermatige aansluiting De provincie noemt een taakstelling van 201 personen, 151 gerealiseerde huisvestingen en 112 aan Dordrecht gekoppelde vergunninghouders per 1 april. Hoe verhouden deze drie aantallen zich precies tot elkaar? Kan het college daarbij inzichtelijk maken in welke mate de gerealiseerde huisvestingen hebben bijgedragen aan het inlopen van de achterstand op de taakstelling?
2. Concreet georganiseerd De provincie schrijft dat alle op 1 april gekoppelde vergunninghouders zijn geplaatst en dat daarbij ook huurcontracten en HAR+ zijn meegewogen. Hoeveel van de 151 gerealiseerde huisvestingen waren op 1 juli daadwerkelijk bewoond en hoeveel vielen onder de categorie ‘concreet georganiseerd’? Acht het college deze wijze van verantwoorden voldoende representatief en duidelijk om de raad te informeren?
3. Wijze van huisvesting Waar en op welke wijze zijn deze statushouders gehuisvest? Hoeveel zijn geplaatst in reguliere sociale huurwoningen, tijdelijke huisvesting of HAR+-voorzieningen? Waarom heeft het college voor deze verdeling gekozen?
4. De inhaalslag Welke concrete maatregelen hebben ervoor gezorgd dat deze versnelling is bereikt? Wat is er anders gedaan dan in de periode daarvoor? In de RIB wordt onder andere gesproken over intensivering van de samenwerking met woningcorporaties, VluchtelingenWerk en het COA. Op welke wijze is deze samenwerking geïntensiveerd, welke keuzes heeft het college hierin gemaakt en wat was het concrete resultaat daarvan?
5. Gevolgen voor woningzoekenden Het college stelt dat de extra inzet de druk op andere woningzoekenden naar verwachting niet of nauwelijks heeft vergroot. Waar heeft het college deze conclusie precies gebaseerd? Kan het college daarnaast aangeven welke gevolgen de gekozen aanpak heeft gehad voor de beschikbaarheid van woningen voor andere woningzoekenden?
6. Resterende opgave Welke achterstand resteert er momenteel? Verwacht het college toekomstige taakstellingen tijdig te halen, of ziet het daarbij nog risico’s? Welke maatregelen neemt het college om nieuwe achterstanden te voorkomen?
We zien met belangstelling uit naar de beantwoording van de vragen.
Met vriendelijke groet,
ChristenUnie-SGP Dordrecht Robert de Heer