Landgraaf, 6 juli 2026
Bron laatst gecontroleerd op 5 oktober 2026.
Schriftelijke vragen ex artikel 37 van het Reglement van Orde Aan het college van burgemeester en wethouders van Landgraaf Betreft: Bezuiniging op de peuteropvang en de gevolgen voor de ontwikkelkansen van Landgraafse peuters Landgraaf, 6 juli 2026 Geacht college, Uit berichtgeving in De Limburger blijkt dat de eerder door de gemeenteraad vastgestelde bezuiniging op de peuteropvang vanaf 2027 ongewijzigd wordt uitgevoerd. Hierdoor vervalt met ingang van 1 januari 2027 de gemeentelijke bijdrage voor peuters van wie de ouders niet in aanmerking komen voor kinderopvangtoeslag en die niet beschikken over een indicatie voor Voor- en Vroegschoolse Educatie (VVE). In de Kadernota 2026 werd aanvankelijk als mogelijke bezuinigingsmaatregel nog het sluiten van vier groepen Voor- en Vroegschoolse Educatie (VVE) genoemd. Deze maatregel is destijds vervallen vanwege de noodzakelijke cofinanciering in het kader van de Regio Deal 3.0. Desondanks is in de Programmabegroting 2026–2029 vanaf 2027 opnieuw een bezuiniging op de peuteropvang opgenomen. Voor de SP is onduidelijk hoe deze bezuiniging precies wordt ingevuld en welke gevolgen deze heeft voor peuters, ouders en aanbieders van peuteropvang. Volgens de heer Ed Buitenhek, adviseur van gemeenten op het gebied van peuteropvangregelingen, is Landgraaf voor zover hem bekend de enige gemeente in Nederland die deze gemeentelijke bijdrage afschaft. Hij waarschuwt dat hierdoor minder kinderen gebruik zullen maken van de peuteropvang. Dit heeft volgens hem niet alleen negatieve gevolgen voor de ontwikkelkansen van jonge kinderen, maar kan ook leiden tot het verdwijnen van opvanglocaties, waardoor de bereikbaarheid van peuteropvang verder onder druk komt te staan. De SP is van mening dat investeren in de ontwikkeling van jonge kinderen geen kostenpost is, maar een investering in de toekomst. Juist in de eerste levensjaren wordt de basis gelegd voor taalontwikkeling, sociale vaardigheden en gelijke kansen in het onderwijs. Daarom stelt de SP de volgende vragen. 1. Is het college bekend met de berichtgeving in De Limburger over de gevolgen van het afschaffen van de gemeentelijke bijdrage voor peuteropvang? 2. In de Kadernota 2026 werd als mogelijke bezuinigingsmaatregel het sluiten van vier groepen Voor- en Vroegschoolse Educatie genoemd. Deze maatregel is vervallen vanwege de noodzakelijke cofinanciering in het kader van de Regio Deal 3.0. Desondanks bevat de Programmabegroting 2026–2029 vanaf 2027 een bezuiniging op
de peuteropvang. Kan het college precies aangeven: a. welke bezuinigingsmaatregel vanaf 1 januari 2027 wordt uitgevoerd; b. welk bedrag hiermee jaarlijks wordt bespaard; c. welke voorzieningen, locaties of regelingen hierdoor worden geraakt; d. hoeveel peuters hierdoor naar verwachting geen gebruik meer kunnen maken van peuteropvang of Voor- en Vroegschoolse Educatie (VVE)? 3. Hoeveel peuters maken momenteel gebruik van de gemeentelijke regeling voor peuteropvang waarvan de gemeentelijke bijdrage per 1 januari 2027 vervalt? 4. Hoeveel peuters verwacht het college dat vanaf 1 januari 2027 geen gebruik meer zullen maken van de peuteropvang als rechtstreeks gevolg van deze bezuiniging? 5. Heeft het college voorafgaand aan dit besluit een maatschappelijke en/of financiële impactanalyse uitgevoerd? Zo ja, is het college bereid deze analyse met de gemeenteraad te delen? Zo nee, waarom niet? 6. Heeft het college onderzocht hoe andere Limburgse en Nederlandse gemeenten de peuteropvang voor peuters zonder VVE-indicatie ondersteunen? Zo ja, wat waren de uitkomsten van dat onderzoek? 7. Erkent het college dat peuteropvang, ook voor kinderen zonder VVE-indicatie, een belangrijke bijdrage levert aan de taalontwikkeling, sociale ontwikkeling en voorbereiding op het basisonderwijs? 8. Deelt het college de zorg dat juist gezinnen met een laag inkomen of een kwetsbare sociaaleconomische positie het hardst worden geraakt doordat zij de volledige kosten van de peuteropvang zelf moeten betalen? 9. Verwacht het college dat een lagere deelname aan de peuteropvang kan leiden tot meer kinderen met een taal- of onderwijsachterstand bij de start van het basisonderwijs? Zo nee, waarop baseert het college deze verwachting? 10. Is onderzocht welke gevolgen een afname van het aantal peuters dat gebruikmaakt van de peuteropvang heeft voor het voortbestaan van opvanglocaties en de bereikbaarheid van peuteropvang binnen de gemeente Landgraaf? Zo ja, wat zijn de conclusies? 11. In het artikel wordt vermeld dat de gemeente jaarlijks circa € 55.000 aan rijksmiddelen ontvangt voor de peuteropvang. Kan het college aangeven: a. uit welke specifieke rijksregeling(en), specifieke uitkering(en) (SPUK), decentralisatie-uitkering(en) of andere financieringsbron(nen) deze middelen afkomstig zijn; b. welk bedrag de gemeente per regeling in de jaren 2024, 2025, 2026 en 2027 heeft ontvangen of verwacht te ontvangen; c. welke voorwaarden het Rijk aan de besteding van deze middelen heeft verbonden; d. op welke wijze deze middelen in de jaren 2024 tot en met 2026 zijn besteed; e. hoe deze middelen vanaf 1 januari 2027 zullen worden ingezet nu de gemeentelijke bijdrage voor peuters zonder VVE-indicatie vervalt; f. of het college van oordeel is dat de voorgenomen besteding vanaf 2027 volledig in overeenstemming is met de voorwaarden van de betreffende rijksregeling(en). Zo ja, waarop baseert het college dit oordeel? 12. Hoe verhoudt het afschaffen van de gemeentelijke bijdrage voor peuteropvang zich tot de ambitie uit het coalitieakkoord dat "kinderen en jongeren een kansrijke toekomst verdienen"? 13. Is het college bereid deze bezuiniging te heroverwegen indien uit de praktijk blijkt dat hierdoor minder peuters deelnemen aan de peuteropvang of dat de ontwikkelkansen van jonge kinderen worden geschaad? Zo nee, waarom niet? 14. Is het college bereid de gemeenteraad actief te informeren wanneer de toegankelijkheid, bereikbaarheid of kwaliteit van de peuteropvang of voorschoolse educatie onder druk komt te staan? 15. Welke beleidsmatige en inhoudelijke overwegingen liggen ten grondslag aan het besluit om de gemeentelijke bijdrage voor peuteropvang af te schaffen en hoe verhoudt dit besluit zich tot de ambitie uit het coalitieakkoord om kansengelijkheid voor kinderen te bevorderen? 16. Heeft het college de gemeenteraad voorafgaand aan de besluitvorming gewezen op de mogelijke gevolgen van deze bezuiniging voor de deelname aan de peuteropvang, de ontwikkeling van jonge kinderen en de bereikbaarheid van opvangvoorzieningen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet? Wij verzoeken het college deze vragen overeenkomstig artikel 37 van het Reglement van Orde binnen de daarvoor geldende termijn te beantwoorden. Met vriendelijke groet, SP-fractie Landgraaf John Ubachs Robert Limbach