Rotterdam, 10 september 2026
Bron laatst gecontroleerd op 5 oktober 2026.
Schriftelijke vragen Van der Meer over WMO uitgaven
Partij: Leefbaar Rotterdam
Leefbaar Rotterdam | Coolsingel 40, kamer 16 | 3011 AD Rotterdam | info@leefbaarrotterdam.nl Pagina 1 / 2
Aan het College van Burgemeester en Wethouders Coolsingel 40 3011 AD ROTTERDAM
Rotterdam, 10 september 2026
Schriftelijke vragen ter schriftelijke beantwoording
Betreft: WMO; de grip is weg.
Geacht college,
Leefbaar Rotterdam is geschrokken van het bericht in het Algemeen Dagblad d.d. 09-09- 20261. Hierin kwam naar voren dat Rotterdam relatief hoge uitgaven heeft per WMO- gebruiker ten opzichte van vergelijkbare gemeenten. Dit is een ontwikkeling die ons zeer tegenstaat.
Leefbaar Rotterdam vindt dat WMO-middelen bedoeld zijn voor effectieve en doelmatige ondersteuning van Rotterdammers die dat nodig hebben. Hogere uitgaven zijn alleen te rechtvaardigen als deze aantoonbaar leiden tot betere zorg en ondersteuning. Als dat niet het geval is, roept dit serieuze vragen op over de grip van het college op kosten, uitvoering en sturing.
Tegen deze achtergrond stelt Leefbaar Rotterdam de volgende vragen:
1. Klopt het dat Rotterdam meer uitgeeft per WMO-gebruiker dan vergelijkbare gemeenten? Met welke gemeenten wordt hierbij vergeleken?
2. Hoe is de verdeling van de WMO-uitgaven over de verschillende vormen van ondersteuning (zoals huishoudelijke hulp, begeleiding, hulpmiddelen en beschermd wonen/opvang)? Hoe verhoudt deze verdeling zich tot andere gemeenten, en op welke onderdelen zijn de verschillen het grootst (tevens per cliënt en totaal)?
3. Wat zijn de belangrijkste verklaringen voor de hogere uitgaven per cliënt, en in welke mate gaat het om zorgzwaarte, tarieven van aanbieders of keuzes in toegang en uitvoering?
1 https://www.ad.nl/rotterdam/gemeente-rotterdam-relatief-veel-kwijt-aan-gemiddelde-wmo- gebruiker~acd1aed1/
Leefbaar Rotterdam | Coolsingel 40, kamer 16 | 3011 AD Rotterdam | info@leefbaarrotterdam.nl Pagina 2 / 2
4. In hoeverre heeft het college op dit moment voldoende grip op volume, toegang en tarieven binnen de WMO, en hoe wordt deze grip concreet vormgegeven richting aanbieders?
5. Hoe wordt voorkomen dat zorgaanbieders meer of duurdere zorg leveren dan noodzakelijk, en hoe wordt geborgd dat indicaties en toewijzingen doelmatig blijven?
6. Kan het college aantonen dat de hogere uitgaven per cliënt in Rotterdam leiden tot betere zorg, bijvoorbeeld in termen van wachttijden, effectiviteit en cliënttevredenheid? Zo ja, waar blijkt dit concreet uit?
7. Hoe verhouden de prestaties van Rotterdam zich op deze indicatoren tot gemeenten met lagere gemiddelde WMO-uitgaven per cliënt, en welke lessen trekt het college hieruit?
8. Welke maatregelen gaat het college nemen om de kostenontwikkeling van de WMO te beheersen en tegelijkertijd de kwaliteit van ondersteuning op peil te houden, en binnen welke termijn verwacht het college aantoonbare verbetering in grip en kostenontwikkeling?
In afwachting van de beantwoording,
Met vriendelijke groet,
Ilse van der Meer Leefbaar Rotterdam