Katwijk, 10 september 2026
Bron laatst gecontroleerd op 5 oktober 2026.
Notitie Panbos-dossier
Deze notitie begint met een feitelijke tijdlijn van het Panbos-dossier. Daarna volgt een korte duiding van de bestuurlijke kern: regie, informatievoorziening, verantwoordelijkheid en impact op de betrokken medewerker en organisatie. Tot slot wordt de verbinding gelegd met de motie van afkeuring en de gevraagde politieke uitspraak door de raad.
Datum / periode Gebeurtenis Vanaf 2012 Door de bezuinigingsoperatie ging het beheer van het Panbos volgens het feitenrelaas van de boswachter van twee boswachters naar één boswachter. Vanaf dat moment werkte de boswachter naar eigen zeggen zeven dagen per week en kon hij geen voortdurend toezicht meer houden. 2024 Volgens het feitenrelaas waren er nog negen dieren over, ongeveer twaalf tot veertien jaar oud. De conditie was slecht, met ouderdomskwalen, slechte voedselopname, slechte hoeven en weinig beweging. Eind 2024 De boswachter beschrijft dat het Panbos voor 2025 uit de begroting was gehaald, dat hij richting pensioen ging, dat er geen nieuwe boswachter werd aangesteld en dat een lekkage in de waterleiding de verzorging verder zou bemoeilijken. Oktober tot december 2024 De boswachter heeft de dieren gedood. Hij beschrijft dat dit rustig en zonder stress is gebeurd, maar erkent dat de gang van zaken niet volgens wet en regelgeving verliep. Hierbij beschrijft de boswachter dat dit een moeilijk maar te rechtvaardigen beslissing voor hem is geweest. Eind 2024 / begin 2025 Het college werd geïnformeerd dat de dieren niet meer leefden. Daarna werd een intern onderzoek gestart. Volgens het college stond het belang van de dieren voorop, maar kwam de werkwijze niet volledig overeen met wet en regelgeving. Daarom deed de gemeente melding bij politie en NVWA. Maart 2025 Op de brief en het interne onderzoek werd geheimhouding gelegd. 17 juli 2025 Het college schreef dat politie en OM waren benaderd om duidelijkheid te krijgen. De politie zou verslag uitbrengen aan de officier van justitie, waarna de beslissing aan het college zou worden gecommuniceerd. Het proces duurde volgens het college langer dan verwacht. 23 juli 2025 Het OM zag geen aanwijzingen voor kwade bedoeling. Wel werd aangegeven dat de werkwijze strafbaar was volgens de Wet dieren. Het college kondigde daarop aan aangifte te doen tegen de betrokken medewerker. Ook kreeg de directie opdracht en mandaat voor passende maatregelen als werkgever. In dezelfde brief schreef het college dat het zich realiseert bestuurlijk verantwoordelijk te zijn voor wat de organisatie doet. 29 juli 2025 De directeur Leefbaarheid deed namens het college aangifte. Op 31 juli volgde een aanvulling op de aangifte. In een interne mail staat dat de aangifte de volgende dag naar het OM zou worden verzonden en dat de politie binnen een maand een reactie van het OM verwachtte. De portefeuillehouder stond in de geadresseerdenlijst. Augustus 2025 De politie besloot na afstemming met het OM de zaak niet verder in behandeling te nemen. Er kwam geen strafrechtelijk onderzoek en de oud- medewerker werd niet als verdachte aangemerkt. Na augustus 2025 De toenmalige burgemeester geeft aan dat de afdoening volgens hem niet met hem is gedeeld. Er zijn geen schriftelijke vastleggingen gevonden. Wel staat vast dat de uitkomst niet heeft geleid tot verdere informatievoorziening aan de raad. 11 september 2025 De raad besloot tot uitgestelde openbaarmaking. In de stukken bleef de lijn staan dat de procedure rond de aangifte nog in behandeling was. 30 september 2025 De raadscommissie besprak het bestuurlijk handelen. In het debat werd benoemd dat het niet alleen ging om de dood van dieren, maar ook om de omgang met medewerkers, bewoners en bestuurlijke verantwoordelijkheid. Er werd gewezen op minimale steun, het ontbreken
Col1 van een beheerplan, late informatie en de indruk dat de schuld bij één persoon werd gelegd. De portefeuillehouder gaf aan dat het college juridisch gezien verantwoordelijk was omdat in mandaat was gehandeld, maar dat het college vooraf niet op de hoogte was. Ook gaf hij aan dat signalen het college niet hadden bereikt. 9 oktober 2025 De motie van treurnis over het bestuurlijk handelen werd verworpen met 13 stemmen voor en 16 stemmen tegen. Ook de motie om af te zien van strafrechtelijke vervolging werd met dezelfde stemverhouding verworpen. 5 juni 2026 Vragen uit de raad vormden aanleiding om de actuele stand van zaken van de aangifte op te vragen. 16 juli 2026 De voormalige boswachter werd geïnformeerd over de status van de aangifte. Tijdens het agendapunt mondelinge vragen wordt die avond de raad geïnformeerd. 24 juli 2026 In de tweede nota werd bevestigd dat de zaak al in augustus 2025 was afgedaan, dat geen strafrechtelijk onderzoek was gestart en dat de oud- medewerker niet als verdachte was aangemerkt. In dezelfde nota werd de verklaring vooral gelegd bij het verschil tussen politie en de toenmalige burgemeester over mondelinge terugkoppeling. 4 september 2026 De derde nota bevestigde dat het college formeel eindverantwoordelijk is. Tegelijk werd opnieuw verwezen naar het verschil in beeld tussen politie en toenmalige burgemeester. Ook staat erin dat de genomen besluiten onder verantwoordelijkheid van het hele college vallen en dat de portefeuillehouder bestuurlijk trekker was. De derde nota bevestigde ook dat er voorafgaand aan de mededeling aan de raad niet opnieuw bij politie of OM was gecontroleerd wat de actuele status van de aangifte was. De burgemeester heeft persoonlijk excuses aangeboden namens het college. Er komt geen nader besluit over herstel richting de oud medewerker. Kern De Panboszaak gaat inmiddels niet meer alleen over wat er met de dieren is gebeurd. De zaak gaat nu vooral over bestuurlijke verantwoordelijkheid. Het college deed aangifte tegen een eigen medewerker, maar bewaakte daarna de eigen aangifte niet. Terwijl eind juli 2025 al duidelijk was, bij de gemeente en bij de bestuurlijk trekker, dat de politie binnen een maand een reactie van het OM verwachtte, is niet actief nagegaan wat de stand van zaken was. De zaak was in augustus 2025 al afgedaan, zonder strafrechtelijk onderzoek en zonder dat de oud medewerker als verdachte werd aangemerkt. Toch wist de raad dat niet en wist de oud medewerker dat pas bijna een jaar later.
Een overheid die aangifte doet tegen een eigen medewerker heeft een extra verantwoordelijkheid om zorgvuldig te handelen. Niet alleen bij het besluit zelf, maar ook daarna. Juist daar is het misgegaan. De gemeente erkent dat eerder navraag had moeten worden gedaan, mede vanwege de persoonlijke en bestuurlijke impact. Dat is niet gebeurd. De oud medewerker heeft daardoor onnodig lang in onzekerheid gezeten.
Meerdere factoren Op 9 oktober 2025 zijn in de raad zware woorden gesproken over het handelen van het college, maar ook over het handelen van de boswachter. Hierbij is de motie van treurnis niet aangenomen, waarbij werd aangevoerd dat de aangifte nog liep en het OM nog zou oordelen. Achteraf blijkt dat de zaak op dat moment al was afgedaan. Daarmee heeft de raad niet kunnen oordelen op basis van de juiste en actuele informatie.
Het probleem is niet één gemiste mail of één verkeerd begrepen telefoongesprek. Het probleem is het ontbreken van regie. Er was geen vaste regiehouder voor het bewaken van de aangifte. De verantwoordelijkheid werd “gezamenlijk gedragen”. In een dossier met zulke persoonlijke gevolgen, maatschappelijke onrust en politieke lading is dat onvoldoende. Gezamenlijke verantwoordelijkheid mag nooit betekenen dat uiteindelijk niemand zichtbaar eigenaar is.
Ook de informatievoorziening aan de raad was onvoldoende. Op 4 september 2025 werd gemeld dat de procedure rond de aangifte nog in behandeling was. Later bleek dat dit niet
was gecontroleerd bij politie of OM. Het college ging daarvan uit omdat geen schriftelijke afdoening was ontvangen. De raad kreeg dus geen gecontroleerde status, maar een aanname.
Impact op medewerker, organisatie en samenleving De persoonlijke gevolgen voor de oud-medewerker zijn groot. Hij werkte jarenlang voor de gemeente en kwam in een kwetsbare positie terecht. De aangifte bleef bijna een jaar boven hem hangen, terwijl de zaak al was afgedaan. Hierdoor heeft hij een nieuwe betrekking als boswachter misgelopen. Dit raakt niet alleen hem persoonlijk, maar ook het vertrouwen van medewerkers in hun werkgever.
Voor de organisatie is dit minstens zo ernstig. Medewerkers moeten erop kunnen vertrouwen dat het bestuur achter hen staat wanneer iets misgaat in een onduidelijke of slecht georganiseerde situatie. Natuurlijk moeten fouten worden benoemd. Het bestuur moet daarbij ook naar zichzelf kijken: waren de kaders helder, was er toezicht, was er steun, was er regie? In dit dossier blijft juist dat bestuurlijke zelfonderzoek te beperkt.
Daar komt bij dat het dossier veel losmaakte in de samenleving. Inwoners, dierenorganisaties, media en raadsleden vroegen herhaaldelijk om duidelijkheid. Juist die maatschappelijke onrust had het college moeten bewegen om bovenop de voortgang, de informatievoorziening en de positie van de betrokken medewerker te zitten. Dat is onvoldoende gebeurd. Daardoor raakte niet alleen het vertrouwen van de oud-medewerker en de organisatie beschadigd, maar ook het vertrouwen van inwoners in zorgvuldig en transparant bestuur.
Verantwoordelijkheid Het college erkent formeel eindverantwoordelijk te zijn. Tegelijk wordt de verklaring voor het mislopen van de informatie vooral gelegd bij het verschil in beeld tussen politie en de toenmalige burgemeester. Daarmee verschuift de aandacht opnieuw weg van het voltallige college, terwijl de aangifte namens het college is gedaan en de besluiten onder verantwoordelijkheid van het hele college vielen.
Dat is precies de bestuurlijke kern. Het college nam een zwaar besluit tegen een eigen medewerker, maar organiseerde de opvolging niet. Het college informeerde de raad op basis van een aanname. Het college liet de oud-medewerker te lang in onzekerheid. En wanneer dit boven tafel komt, wordt de verklaring vooral gezocht bij politie en oud-burgemeester, terwijl de verantwoordelijkheid bij het voltallige college ligt, omdat het een ‘gezamenlijke verantwoordelijkheid’ was.