Vlissingen, 2 oktober 2026
Bron laatst gecontroleerd op 5 oktober 2026.
Fractie PSR
UW BRIEF VAN UW KENMERK ONS KENMERK DATUM 2923799 / 2959151 30 september 2026
BEHANDELD DOOR BEZOEKADRES TELEFOON BIJLAGEN Klik of tik om tekst in te Paul Krugerstraat 1 voeren.
ONDERWERP Beantwoording art 34 RvO vragen PSR in - Vervolgvragen Regie maatschappelijke ontwikkelingen binnenstad
Geachte fractie,
Naar aanleiding van de door uw fractie op 16 september 2026 ingediende vragen ex artikel 34 RvO informeren wij u als volgt.
Uw inleiding
Vraag 1 Het college verwijst naar verschillende onderzoeken en databronnen, maar uit de beantwoording blijkt niet welke concrete gegevens aantonen dat de toegenomen overlast en het verminderde veiligheidsgevoel daadwerkelijk worden veroorzaakt door de concentratie van maatschappelijke voorzieningen of door de cliënten daarvan. Kan het college per genoemde databron concreet aangeven welke bevindingen een aantoonbaar verband leggen tussen de aanwezigheid of concentratie van maatschappelijke voorzieningen en de geconstateerde overlast en onveiligheidsbeleving? Kan het college daarbij aangeven in hoeverre sprake is van een aantoonbaar causaal verband en niet slechts van een gelijktijdige ontwikkeling?
Ons antwoord Zoals opgenomen in de eerdere beantwoording op artikel 34 vragen is aangegeven dat uit de eerdergenoemde data blijkt dat de afgelopen jaren de overlast en het gevoel van onveiligheid in de Binnenstad is toegenomen. In de recent gehouden ondernemerspeiling wordt het gevoel van onveiligheid en overlast benoemd o.a. in relatie tot de toename van mensen in de openbare ruimte met verschillende problematiek (verwardheid, verslaafden
POSTBUS 3000, 4380 GV VLISSINGEN TELEFOON 0118-487000 EMAIL GEMEENTE@VLISSINGEN.NL
FAX 0118-410218 IBAN: NL36BNGH0285008889 BIC: BNGHNL2G
onder invloed van middelen ed). We willen het winkel- en horecagebied in de binnenstad juist economisch versterken en aantrekkelijker maken. Een concentratie van functies die primair gericht zijn op een specifieke doelgroep draagt daar niet aan bij. Daarom heeft het college dit voorbereidingsbesluit genomen.
Vraag 2 Het college verwijst naar verschillende onderzoeken en databronnen, maar uit de beantwoording blijkt niet welke concrete gegevens aantonen dat de toegenomen overlast en het verminderde veiligheidsgevoel daadwerkelijk worden veroorzaakt door de concentratie van maatschappelijke voorzieningen of door de cliënten daarvan. Kan het college per genoemde databron concreet aangeven welke bevindingen een aantoonbaar verband leggen tussen de aanwezigheid of concentratie van maatschappelijke voorzieningen en de geconstateerde overlast en onveiligheidsbeleving? Kan het college daarbij aangeven in hoeverre sprake is van een aantoonbaar causaal verband en niet slechts van een gelijktijdige ontwikkeling? is afgerond? Welke concrete en objectief verifieerbare criteria zijn gebruikt om te bepalen dat deze maatregel nu noodzakelijk en proportioneel is?
Ons antwoord Zie antwoord vraag 1. Het voorbereidingsbesluit is nodig om ons de tijd te geven om ruimtelijk de regie terug te pakken ten aanzien van de vestiging van nieuwe locaties waar zorg geleverd kan worden. De maatregel is niet disproportioneel omdat de bestemmingen nog steeds ruim zijn en er voldoende andere functies mogelijk blijven.
Vraag 3 Het college stelt dat een gemeente brede aanpassing van de ruimtelijke regels en de invoering van een vergunningstelsel met een afwegingskader het waterbedeffect moeten voorkomen. Kan het college concreet toelichten op welke wijze deze voorgenomen maatregelen voorkomen dat de door het college gesignaleerde overlast en gevoelens van onveiligheid zich slechts verplaatsen van de binnenstad naar andere wijken of gebieden binnen de gemeente? Is het mogelijke ‘waterbedeffect’ vooraf onderzocht? Zo ja, kan dit onderzoek met de gemeenteraad worden gedeeld?
Ons antwoord Door een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ontstaat spreiding van deze voorzieningen die in balans is met de functies in zijn omgeving. Van concentratie naar spreiding is daarom niet per definitie het probleem verplaatsen. Je moet nieuwe functies in hun ruimtelijke en sociale context bekijken. Een waterbedeffect kan ontstaan wanneer regelgeving en aanpak binnen de gemeente niet overal hetzelfde is. Daarom stellen we een gemeentebrede aanpak voor bij nieuwe vestigingen van maatschappelijke voorzieningen, die toetst of zij in een omgeving passend zijn. Aangezien de beperkte termijn van de werking van het voorbereidingsbesluit, achten we de kans op een waterbedeffect beperkt. Dit is niet nader onderzocht.
Blad 2 behorend bij 2923799 / 2959151
Vraag 4 Het college omschrijft een evenwichtige spreiding als een aanbod dat aansluit bij de behoefte van inwoners per deelgebied van de gemeente. Daarbij wordt verwezen naar een nog op te stellen afwegingskader. Kan het college concreet aangeven welke objectieve criteria straks bepalen of sprake is van een evenwichtige spreiding? Kan het college daarbij aangeven op welke wijze wordt vastgesteld dat een bepaald deelgebied voldoende, onvoldoende of juist te veel maatschappelijke voorzieningen heeft? En is het college voornemens de gemeenteraad inzicht te geven in de geografische spreiding en concentratie van deze voorzieningen?
Ons antwoord Het is voor nu nog te vroeg om exact aan te geven welke gegevens hiervoor gebruikt gaan worden en hoe het afwegingskader eruit komt te zien. Dit vergt nog nader verkenning en onderzoek. Hierbij wordt ook gekeken hoe andere gemeenten dit hebben vormgegeven.
Vraag 5 Het college geeft aan dat voorafgaand aan het voorbereidingsbesluit niet is gesproken met hulpverleningsinstanties, maatschappelijke organisaties en vertegenwoordigers van cliënten, omdat het besluit uitsluitend betrekking heeft op nieuwe voorzieningen. Is het college bereid deze partijen alsnog actief te betrekken bij de verdere uitwerking van het afwegingskader en de voorgenomen gemeente brede aanpassing van de ruimtelijke regels? Zo ja, op welke wijze en op welk moment? Zo nee, waarom acht het college de kennis en praktijkervaring van deze organisaties en de ervaringen van cliënten niet relevant bij het bepalen van de toekomstige spreiding van maatschappelijke voorzieningen?
Ons antwoord Het is voor nu nog te vroeg om aan te geven wie betrokken wordt bij het opstellen van het afwegingskader. Dit vergt nog nadere verkenning en onderzoek en wordt bepaald in het proces van de wijziging van het omgevingsplan.
Wij gaan ervan uit u hiermee in voldoende mate te hebben ingelicht.
Hoogachtend,
burgemeester en wethouders van Vlissingen, de secretaris, de burgemeester,
drs. R.D.A. Wiskerke drs. A.R.B. van den Tillaar
Blad 3 behorend bij 2923799 / 2959151