Wassenaar, 9 juli 2026
Bron laatst gecontroleerd op 5 oktober 2026.
Nota van beantwoording inspraak _Verordening Jeugdhulp Voorschoten 2026_
Het college van B&W van de gemeente Voorschoten en van de gemeenten Leiden, Leiderdorp, Oegstgeest en Zoeterwoude hebben de concept Verordening Jeugdhulp 2026 vastgesteld voor inspraak. De verordening heeft in Voorschoten van 31 maart tot en met 28 april 2026 ter inzage gelegen. We hebben in totaal negen inspraakreacties ontvangen, zowel regionaal als lokaal. Onderstaand treft u de ingediende inspraakreacties aan met de voorgestelde reactie van de colleges en de gevolgen voor de Verordening Jeugdhulp Voorschoten 2026.
Inspraak ontvangen voor alle Leidse Regio gemeenten Col2 Col3 Col4 Nr. 1 Leidse Regio Nr. 1 Leidse Regio Nr. 1 Leidse Regio Nr. 1 Leidse Regio Inspraak Reactie College Gevolgen voor Verordening Jeugdhulp Voorschoten 2026 1.3 _“__Artikel 2.4 _ _Dyslexiezorg. Wie is hier qua vergoeding nu_ _verantwoordelijk voor? School of Jeugdwet? In de nadere_ _regels van nu staat dat EED altijd via het onderwijs_ _geschiedt maar dit lees ik hier nu niet in terug.” _ In artikel 2.4.2b staat opgenomen dat inzet volgordelijk is. Verdere verduidelijking hiervan zal meegenomen worden in het opstellen van de nadere regels. Dit is een bevoegdheid van het college en zal ook in regionaal verband worden voorbereid. N.v.t. 1.4 _“__Artikel 3.3_ _Dit houdt dus in dat er wanneer er ZIN in kan worden gezet,_ _dat we geen pgb mogen afgeven?” _ De opmerking heeft betrekking op artikel 2.1.3. Dit houdt in dat er geen zorg ingezet kan worden bij een niet-gecontracteerde aanbieder als deze zorg ook via een gecontracteerde aanbieder geleverd kan worden. Er kan pgb afgegeven worden wanneer dit passend is, zoals omschreven in hoofdstuk 7. N.v.t. 1.5 _“__Artikel 4.1_ _3d Er wordt gesproken over een familiegroepsplan. Wat_ _houdt dit precies in? In hoeverre moeten we hiermee gaan_ _werken?” _ Het begrip Familiegroepsplan is opgenomen in artikel 1.1 van de Jeugdwet. Daarom is dit begrip niet opgenomen bij de begripsbepalingen in de Verordening. In de aanhef van het artikel zal worden toegelicht dat de vermelde N.v.t. 1
| Col1 | Col2 | begripsbepalingen aanvullend zijn op de begripsbepalingen zoals opgenomen in de Jeugdwet. In lijn met artikel 4.1.2 van de Jeugdwet moeten gezinnen eerst de mogelijkheid krijgen om een familiegroepsplan op te stellen voor de aanvang van de jeugdhulp. | Col4 |
|---|---|---|---|
| 1.6 | _“__Artikel 4.2 _ _1b. Wat wordt er bedoeld met persoonskenmerken en_ _voorkeuren van de jeugdige?” _ | Persoonskenmerken zijn stabiele eigenschappen van de jeugdige of diens omgeving (bijvoorbeeld migratieachtergrond, leeftijd, samenstelling huishouden) die invloed kunnen hebben op de mate waarin ondersteuning passend is voor deze specifieke jeugdige en/of dit gezin. Met voorkeuren van de jeugdige worden voorkeuren/keuzes bedoeld die van invloed kunnen zijn op de passendheid van in te zetten ondersteuning. | N.v.t. |
| 1.7 | _“__Artikel 5.2. _ _1 _ _Hier wordt gesproken over gebruikelijke hulp. Hoe wordt_ _getoetst wat gebruikelijk is? _ _In hetzelfde hoofdstuk wordt gesproken over inzet van_ _sociaal netwerk pgb uitgevoerd door ouders. Echter als er_ _sprake is van overbelasting dan mag dit niet worden_ _ingezet. Indien er geen sprake is van overbelasting, dan valt_ _het onder eigen kracht. Wanneer is het dan wel mogelijk_ _om dit in te zetten? Ook de ondersteuning van het sociale_ _netwerk valt onder eigen kracht, dus wanneer zou je ook_ _hiervoor wel een pgb in kunnen zetten?” _ | Onder gebruikelijke hulp wordt verstaan: de zorg en ondersteuning die ouders in redelijkheid geacht worden te bieden aan een kind van een bepaalde leeftijd en in een bepaalde ontwikkelingsfase. Wanneer de benodigde zorg echter duidelijk uitstijgt boven wat in deze context als normaal kan worden beschouwd - bijvoorbeeld doordat deze zwaarder, intensiever, langduriger of complexer is - kan dit aanleiding zijn om een pgb te overwegen. Bij de beoordeling hiervan is een zorgvuldige, inhoudelijke afweging van belang. Daarbij dient rekening te worden gehouden met onder meer: - de leeftijd en ontwikkelingsfase van het kind; - de aard, frequentie en intensiteit van de benodigde ondersteuning; | N.v.t. |
2
| Col1 | Col2 | - de duur van de situatie; - de belastbaarheid van de ouders; - de veiligheid en ontwikkelingsmogelijkheden van het kind. Daarnaast zijn de richtlijnen van de NJI (Uitgave ‘Opgroeien en opvoeden. Normale uitdagingen voor kinderen, jongeren en hun ouders’) met betrekking tot gebruikelijke hulp en relevante jurisprudentie richtinggevend voor deze beoordeling. | Col4 |
|---|---|---|---|
| 1.8 | _“__Artikel 5.2_ _9b__ typefout. _ _Ziet moet zit zijn.”_ | De formulering “ziet op” is juridisch correct en betekent “heeft betrekking op”. Er is daarmee geen sprake van een typefout. Wij passen de tekst op dit punt niet aan. | N.v.t. |
| 1.9 | _“__Hoofdstuk 7 _ _Welke concrete toetsingscriteria gelden er bij de_ _vaststelling van de omvang van de in te zetten uren (hulp)? _ _→ In de praktijk blijkt namelijk dat het bepalen en_ _onderbouwen van uren leidt tot verschillen in beoordeling_ _en onenigheid met ouders welke tot bezwaar kunnen_ _leiden.”_ | De omvang van de in te zetten hulp wordt niet vastgesteld op basis van vaste urennormen, maar op basis van een inhoudelijke beoordeling van de individuele situatie. Bij het bepalen van de omvang wordt in samenhang gekeken naar onder andere: - de aard en ernst van de problematiek; - de ontwikkelbehoefte en veiligheid van de jeugdige; - de doelen en beoogde resultaten van de ondersteuning; - de benodigde intensiteit en frequentie om deze resultaten te behalen; - de mogelijkheden van ouders, sociaal netwerk en voorliggende voorzieningen. Deze uitgangspunten zijn opgenomen in de verordening, onder andere in de artikelen over onderzoek, criteria | N.v.t. |
3
| Col1 | Col2 | voor individuele voorzieningen en duur en intensiteit van hulp. Wij herkennen dat dit in de praktijk kan leiden tot verschillen in beoordeling. Tegelijk biedt deze werkwijze de noodzakelijke ruimte voor maatwerk, passend bij de diversiteit van hulpvragen. De onderbouwing van de omvang wordt vastgelegd in het ondersteuningsplan en de beschikking, zodat deze navolgbaar en toetsbaar is. | Col4 |
|---|---|---|---|
| 1.10 | _“__Artikel 7.1 _ _2__. _ _“Een pgb wordt uitsluitend verstrekt indien de jeugdige of_ _ouder(s) aannemelijk maken dat: _ _a. zorg in natura niet passend of toereikend is” _ _→ Dit kan in de praktijk de indruk wekken dat een pgb_ _alleen mogelijk is wanneer zorg in natura aantoonbaar niet_ _passend is. Kan worden verduidelijkt hoe deze afweging_ _zich verhoudt tot de keuzevrijheid van ouders binnen de_ _Jeugdwet?”_ | De Jeugdwet biedt ouders en jeugdigen de mogelijkheid om te kiezen voor een pgb. Deze keuzevrijheid is echter niet onbegrensd. Een pgb wordt verstrekt als aan de wettelijke voorwaarden is voldaan, waaronder dat zorg in natura in de specifieke situatie niet passend of toereikend is. Met de formulering in artikel 7.1 wordt aangesloten bij dit wettelijk kader. Dit betekent niet dat een pgb alleen in uitzonderingssituaties mogelijk is of dat eerst moet worden “aangetoond” dat zorg in natura tekortschiet. Het gaat erom dat ouders onderbouwen waarom zorg in natura in hun situatie niet passend is, bijvoorbeeld vanwege behoefte aan continuïteit, flexibiliteit of aansluiting bij de persoonlijke situatie van het gezin. Het college maakt vervolgens een zorgvuldige afweging op basis van de individuele omstandigheden, waarbij ruimte is voor deze motivering. Wij zien daarom geen aanleiding om de bepaling aan te passen. | N.v.t. |
| 1.11 | _“__Artikel 7.1 _ _2g_ | Het vervoer van de cliënt wordt zelfstandig beoordeeld op basis van de criteria uit artikel 5.5 (Vervoer) van deze | N.v.t. |
4
| Col1 | Hier wordt gesproken over dat vervoer voor de zorgverlener niet kan worden vergoed. Hoe zit het met het vervoer van de cliënt naar de jeugdhulporganisatie wanneer de hulp wordt vergoed vanuit pgb?” | verordening en staat los van het persoonsgebonden budget zelf. | Col4 |
|---|---|---|---|
| 1.12 | _“__Artikel 7.2.5._ _Staat dat voor informele hulp er alleen een pgb wordt_ _verstrekt als de individuele voorziening betrekking heeft op_ _dagbesteding, begeleiding individueel of begeleiding groep._ _Bij artikel 7.6 punt 4 staat: Voor logeeropvang door een_ _persoon uit het sociaal netwerk geldt een pgb_ _overeenkomstig artikel 8ab van de Regeling Jeugdwet. _ _Vraag: kan logeeropvang nu wel of niet vanuit het sociaal_ _netwerk (informele hulp).”_ | Ja, logeeropvang kan worden geboden door iemand uit het sociaal netwerk (informele hulp). Artikel 7.2, vijfde lid, onder a bepaalt dat voor informele hulp uitsluitend een pgb wordt verstrekt wanneer de individuele voorziening betrekking heeft op dagbesteding, dit is inclusief respijtzorg. De term respijtzorg is daarbij een verzamelbegrip en behelst onder andere logeeropvang. Artikel 7.6, punt 4 sluit hierop aan door te bepalen dat wanneer logeeropvang (als vorm van respijtzorg) wordt geboden door een persoon uit het sociaal netwerk, dit kan plaatsvinden via een pgb overeenkomstig artikel 8ab van de Regeling Jeugdwet. De genoemde artikelen zijn daarmee consistent. | N.v.t. |
| 1.13 | _“__Artikel 8.1c.ii _ _Wat wordt er bedoeld met: bij (individuele) begeleiding die_ _samenvalt met verblijf vanuit de wet.”_ | Met deze bepaling wordt bedoeld dat wanneer een jeugdige na zijn 18e jaar gebruikmaakt van verlengde jeugdhulp met verblijf, de (individuele) begeleiding die onderdeel uitmaakt van dit verblijf onder de Jeugdwet blijft vallen. De begeleiding wordt in dat geval niet los gezien van het verblijf, maar maakt integraal onderdeel uit van het geboden hulpaanbod en de daarbij behorende bekostiging. Dit betekent dat deze begeleiding niet afzonderlijk wordt overgeheveld naar of bekostigd wordt vanuit de Wmo. | N.v.t. |
5
| Col1 | Col2 | Deze bepaling voorkomt dat binnen één verblijfstraject een splitsing ontstaat tussen verschillende wettelijke kaders en financieringsstromen en draagt bij aan de continuïteit en samenhang van de geboden hulp. | Col4 |
|---|---|---|---|
| 1.14 | _“__Artikel 8.5 _ _1. en 2._ _Hierin staat 2x hetzelfde: “Afspraken over afstemming van_ _jeugdhulpvoorzieningen en ondersteuning tijdens onderwijs_ _worden vastgelegd in het ondersteuningsplan van de_ _jeugdige en/of ouder(s)”.”_ | In lid 1 is de betreffende zin verwijderd. | |
| 1.15 | _“__Artikel 12. _ _1 en 3_ _Hoe ziet deze evaluatie eruit?”_ | Gemeenten evalueren verordeningen door te beoordelen of de beoogde doelen worden bereikt en hoe de regeling in de praktijk uitpakt voor inwoners en uitvoerders. Daarbij wordt gekeken naar effectiviteit, doelmatigheid, uitvoerbaarheid en aansluiting op hogere wetgeving zoals de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, evenals relevante jurisprudentie. Op basis hiervan worden knelpunten en verbeterpunten vastgesteld en vertaald naar concrete aanpassingen. | N.v.t. |
| _Nr 2. Leidse regio _ | _Nr 2. Leidse regio _ | _Nr 2. Leidse regio _ | _Nr 2. Leidse regio _ |
| _Inspraak _ | Reactie College | Gevolgen voor Verordening Jeugdhulp Voorschoten 2026 | |
| 2.1 | _“__Artikel 1.1 Begripsbepalingen _ _7 informele hulp pgb staat hulp door personen uit het_ _sociaal netwerk. _ _Betekent dit dat andere zorgverleners die bijvoorbeeld met_ _een arbeidsovereenkomst of zzp overeenkomst werken_ | In artikel 7.4.2 staat toegelicht wat wel en niet onder informele hulp valt. Het begrip Het familiegroepsplan is een wettelijk recht op grond van de Jeugdwet. Ouders en jeugdigen kunnen zelf een plan opstellen waarin zij | De begripsbepaling ‘Informele hulp’ in artikel 1.1 is aangevuld. . |
6
| Col1 | altijd als formeel en beroepsmatig gezien wordt en hiervoor een passend professioneel tarief ontvangen? We missen de uitleg over het familiegroepsplan.” | aangeven hoe zij de ondersteuning willen vormgeven, al dan niet met inzet van hun netwerk. De rol en het gebruik van het familiegroepsplan komen in de verordening terug bij het onderzoek en de aanvraagprocedure. Het plan wordt, indien aanwezig, betrokken bij de beoordeling van de hulpvraag en de in te zetten ondersteuning. Wij achten het daarom niet nodig om dit afzonderlijk verder uit te werken in de verordening | Col4 |
|---|---|---|---|
| 2.2 | _“__Artikel 2.1 Algemene voorzieningen_ _Hier wordt aangegeven dat er een beperkte_ _toegangsbeoordeling gedaan mag worden _ _Een algemene voorziening moet toch voor iedere inwoner_ _toegankelijk zijn, een onderzoek doen om een_ _toegangsbeoordeling te kunnen doen maakt de voorziening_ _toch een maatwerk voorziening?” _ | Binnen de gemeenten worden verschillende algemene voorzieningen geboden. Deze voorzieningen zijn toegankelijk zonder beschikking. Echter afhankelijk van de voorziening kan het wenselijk zijn om een beperkte toegangsbeoordeling te doen, denk hierbij o.a. aan de beoordeling van de school bij jeugdhulp op school. | N.v.t. |
| 2.3 | _“__Artikel 2.1 Algemene voorzieningen_ _We missen hier in de opsomming de mogelijkheid gebruik_ _te kunnen maken van onafhankelijke clientondersteuning_ _geregeld vanuit de Wmo?” _ | Onafhankelijke cliëntondersteuning is opgenomen in artikel 2.1 Algemene voorzieningen. | |
| 2.4 | _“__Artikel 2.3 Individuele voorzieningen_ _Wij missen hier de mogelijkheid voor logeeropvang/_ _tijdelijk verblijf (ook als respijtzorg) _ _Bij begeleiding individueel (op school) betekent dit_ _individuele begeleiding en ook individuele begeleiding op_ _school?” _ | Logeeropvang, tijdelijk verblijf en respijtzorg kunnen, afhankelijk van de aard en intensiteit van de hulp, onderdeel zijn van verschillende vormen van jeugdhulp. In artikel 2.3 zijn deze niet afzonderlijk benoemd, omdat zij in de praktijk onder meerdere voorzieningen kunnen vallen. Logeeropvang kan onderdeel zijn van jeugdhulp met verblijf (segment Wonen), maar kan ook worden ingezet als vorm van respijtzorg binnen dagbesteding. De | N.v.t. |
7
| Col1 | Col2 | beoordeling hiervan vindt plaats op basis van de individuele situatie. Ten aanzien van begeleiding individueel (op school): hiermee wordt bedoeld dat individuele begeleiding zowel in de thuissituatie als op school kan worden ingezet, indien dit noodzakelijk is om de doelen van de jeugdhulp te bereiken. Het gaat hierbij om begeleiding van de jeugdige en niet om ondersteuning die primair gericht is op het onderwijsproces. | Col4 |
|---|---|---|---|
| 2.5 | _“__Artikel 2.3 Individuele voorzieningen_ _5 _ _Geen vergoeding individuele begeleiding bij sport, is dit_ _voor kinderen met een beperking geen onderdeel van_ _participatie (meedoen) en vanuit het VN verdrag Handicap_ _essentieel omdat ondersteuning nodig is om te kunnen_ _participeren?” _ | Begeleiding bij sport wordt in de basis niet als jeugdhulp aangemerkt, omdat sport wordt gezien als reguliere vrijetijdsbesteding. De Jeugdwet is bedoeld voor ondersteuning die noodzakelijk is in verband met opgroei- en opvoedproblemen, psychische problemen of stoornissen. Uit jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep volgt dat geen recht bestaat op een specifieke activiteit, maar op passende en noodzakelijke ondersteuning. Dit betekent dat begeleiding bij sport alleen onder jeugdhulp kan vallen wanneer deze aantoonbaar noodzakelijk is vanwege de beperkingen van de jeugdige en niet op een andere manier kan worden gerealiseerd. Het VN-verdrag Handicap onderstreept het belang van participatie. Dit wordt in de beoordeling betrokken, maar leidt niet tot een zelfstandig recht op vergoeding van specifieke activiteiten zoals sport. In de verordening is daarom gekozen voor een afbakening, waarbij in individuele gevallen ruimte blijft om te beoordelen of ondersteuning noodzakelijk is. | N.v.t. |
8
| 2.6 | “Artikel 5.2 Beoordeling (boven)gebruikelijke hulp en eigen kracht 1.b Bieden van bovengebruikelijk hulp mag niet leiden tot financiële problemen in het gezin Er mag toch geen inkomenstoets gedaan worden, hoe wordt dit dan bepaald? Teruggang in inkomen als je minder gaat werken om voor je kind te gaan zorgen heeft altijd nadelige financiële gevolgen en kan opgevangen worden als er een keuze wordt gemaakt om de ondersteuning te vergoeden vanuit een pgb (indien er sprake is van een bewuste keuze en bij voldoende pgb vaardigheden) ook onder 7h.” | Het klopt dat de jeugdconsulent geen inkomenstoets mag uitvoeren, maar zij moeten wél meewegen of de inzet van ouders (inclusief eventuele inkomensgevolgen) nog redelijk is. Als de financiële impact onderdeel is van een bredere overbelasting of disproportionele vraag, is dat juist een argument vóór inzet van een individuele voorziening. Daarnaast zijn de richtlijnen van de VNG met betrekking tot gebruikelijke hulp en relevante jurisprudentie richtinggevend voor deze beoordeling. | N.v.t. |
|---|---|---|---|
| 2.7 | _“__Art 7.1_ _4a college kan een pgb weigeren als passende hulp in_ _natura beschikbaar is _ _Tenzij de budgethouder (vertegenwoordiger) aangeeft dat_ _naturazorg in zijn/haar situatie niet_ _passend/toereikend is.” _ | De voorgestelde toevoeging achten wij niet noodzakelijk. In artikel 7.1 is al opgenomen dat een pgb wordt verstrekt als de jeugdige of ouder(s) aannemelijk maken dat zorg in natura niet passend of toereikend is. Daarmee is geborgd dat de aanvrager motiveert waarom een pgb in de specifieke situatie gewenst is. De weigeringsgrond dat een pgb kan worden geweigerd als passende hulp in natura beschikbaar is, sluit hierop aan en betreft de beoordeling door het college. Met de huidige formulering is dit naar ons oordeel voldoende geregeld. De voorgestelde aanvulling zou dit niet wezenlijk verduidelijken en kan de indruk wekken dat een enkele mededeling van de aanvrager voldoende is, terwijl het gaat om een onderbouwde afweging. Daarom passen wij de verordening op dit punt niet aan. | N.v.t. |
9
| 2.8 | “Art 7.1 4c Hoe wordt beoordeeld of er risico bestaat op een belangenconflict of afhankelijkheid, bij een hulpverleningstraject is bijna altijd sprake van afhankelijkheid als dit gezien wordt in het verkrijgen van noodzakelijke ondersteuning.” | De afhankelijkheid die u noemt, in de zin van het ontvangen van noodzakelijke ondersteuning, is inherent aan jeugdhulp en vormt op zichzelf geen reden om een pgb te weigeren. Met “risico op belangenconflict of afhankelijkheid” wordt gedoeld op situaties waarin sprake kan zijn van een ongewenste of onveilige afhankelijkheidsrelatie, bijvoorbeeld bij inzet van hulp vanuit het sociaal netwerk, waarbij persoonlijke, financiële en zorgrelaties door elkaar lopen. In dergelijke gevallen kan er risico ontstaan op druk, beïnvloeding, overbelasting of onvoldoende professionele distantie. Het college beoordeelt dit altijd in samenhang met de individuele situatie, waarbij onder andere wordt gekeken naar veiligheid, positie van de jeugdige, rolverdeling en de mogelijkheid om grenzen te stellen en de kwaliteit van de hulp te waarborgen. Dit sluit aan bij de aanvullende toetsing bij inzet vanuit het sociaal netwerk. Wij zien daarom geen aanleiding om de bepaling aan te passen. | N.v.t. |
|---|---|---|---|
| 2.9 | _“__Art 7.1 4e_ _pgb vaardigheid van vertegenwoordiger onvoldoende is en_ _geen mogelijkheid gezien wordt om de vaardigheid te_ _verbeteren door toerusting (ook bij 7.2 2b).” _ | De beoordeling van de pgb-vaardigheid is in de verordening in samenhang geregeld in artikel 7.1, 7.2 en 7.3. Artikel 7.1 lid 4 onder e bevat de weigeringsgrond dat een pgb kan worden geweigerd indien de pgb- vaardigheid onvoldoende is. In artikel 7.2 en 7.3 is uitgewerkt hoe deze beoordeling plaatsvindt. Daarbij wordt betrokken of de budgethouder, al dan niet met ondersteuning, | N.v.t. |
10
| Col1 | Col2 | vertegenwoordiging of budgetbeheer, in staat is om de aan het pgb verbonden verplichtingen na te komen. Daarmee wordt ook meegewogen of ondersteuning of toerusting kan bijdragen aan het versterken van de pgb- vaardigheid. Als dat niet toereikend is, kan het college tot het oordeel komen dat de pgb-vaardigheid onvoldoende is. De voorgestelde aanvulling achten wij daarom niet nodig en nemen wij niet over. | Col4 |
|---|---|---|---|
| 2.10 | _“__Art 7.2 aanvullende regels om in aanmerking te komen_ _voor een pgb _ _1a in pgb plan gemotiveerde toelichting waaruit blijkt dat_ _naturazorg niet passend is, volgens de wet hoeft dit niet_ _uitgebreid gemotiveerd toegelicht te worden er kan al_ _sprake van zijn dat het belangrijk is dat de ondersteuning_ _geboden wordt door een vast vertrouwd persoon of als er_ _flexibele inzet nodig is waarbij vooral niet altijd vastgesteld_ _kan worden wanneer de ondersteuning ingezet moet_ _worden of vanwege cultuur sensitieve (geloofsovertuiging)_ _redenen.” _ | In artikel 7.2 is opgenomen dat in het pgb-plan een gemotiveerde toelichting wordt gegeven waarom zorg in natura niet passend is. Hiermee wordt aangesloten bij de wettelijke voorwaarde dat een pgb alleen wordt verstrekt als zorg in natura in de individuele situatie niet passend of toereikend is. De verordening schrijft niet voor dat deze toelichting uitgebreid moet zijn. Het gaat erom dat de jeugdige of ouder(s) inzichtelijk maken waarom zorg in natura in hun situatie niet passend is, zodat het college dit kan beoordelen. De door u genoemde voorbeelden, zoals de wens voor een vast en vertrouwd persoon, behoefte aan flexibiliteit of cultuur- en geloofsgerelateerde overwegingen, kunnen daarbij relevante redenen zijn. Wij zien daarom geen aanleiding om de bepaling aan te passen. | N.v.t. |
| 2.11 | _“__Art7.2 _ _5b zie uitleg bij art 7.4 onderscheid formeel en informeel_ _waar de norm verantwoorde werktoedeling (onderdeel SKJ)_ | In artikel 7.4 is opgenomen dat formele hulp wordt geleverd door professionals die beschikken over passende kwalificaties, waaronder - indien van | N.v.t. |
11
| Col1 | gevolgd moet worden om te bepalen of een SKJ registratie noodzakelijk is.” | toepassing - registratie op grond van de Wet BIG of het Besluit Jeugdwet. Dit betekent niet dat in alle gevallen een SKJ-registratie verplicht is. Ook professionals zonder SKJ-registratie kunnen jeugdhulp verlenen, mits zij beschikken over de benodigde deskundigheid en de inzet van deze professional passend en verantwoord is in de specifieke situatie. Bij de beoordeling of inzet van een geregistreerde professional noodzakelijk is, sluit het college aan bij de Jeugdwet en het Besluit Jeugdwet, waarin is bepaald dat jeugdhulp moet worden uitgevoerd door een professional met passende deskundigheid. Dit wordt in de praktijk ingevuld via de norm van verantwoorde werktoedeling. Wij zijn van oordeel dat dit binnen de huidige formulering voldoende is geborgd en zien daarom geen aanleiding om de verordening op dit punt aan te passen. | Col4 |
|---|---|---|---|
| 2.12 | _“__Artikel 7.3 pgb vaardigheid _ _Punt 2.b.8 Is het zo dat de vertegenwoordiger ook een VOG_ _moet overleggen? Op basis waarvan wordt dit noodzakelijk_ _geacht en worden naasten (wettelijk vertegenwoordiger)_ _van de budgethouder hiervan uitgesloten?” _ | Artikel 7.3 lid 2 onder b sub 8 betekent niet dat een vertegenwoordiger standaard een VOG moet overleggen. Het college beoordeelt per situatie of dit nodig is om de betrouwbaarheid en het verantwoord beheer van het pgb te kunnen vaststellen. Voor naasten, zoals ouders of wettelijk vertegenwoordigers, wordt hier terughoudend mee omgegaan. Zij zijn niet uitgesloten, maar een VOG wordt alleen gevraagd als daar aanleiding voor is. De bepaling sluit aan bij de VNG-modelverordening. | N.v.t. |
12
| 2.13 | “Artikel 7.4 formele en informele hulp Punt 1 hier wordt verplicht gesteld dat een formele zorgverlener altijd ingeschreven moet zijn in het kwaliteitsregister jeugd. Dit is onjuist.Een grote groep afgestudeerde professionals wordt hierdoor tekort gedaan omdat de studie die zij hebben gevolgd geen mogelijkheid geeft tot inschrijving in het SKJ register ( alle MBO afgestudeerde professionals sociaal pedagogisch en maatschappelijk werk juist opgeleid om kinderen te ondersteunen bij dagelijkse levensverrichtingen en inslijten van vaardigheden op alle levensgebieden, maar bijvoorbeeld ook leraren afgestudeerd aan de PABO). De norm verantwoorde werktoedeling (gekoppeld aan het SKJ register) zegt: “Ook professionals zonder SKJ-registratie mogen taken uitvoeren binnen het jeugddomein. De SKJ- registratie is voor veel taken niet nodig. In het Kwaliteitskader Jeugd staat wanneer een geregistreerde professional verplicht is en wanneer niet.” https://skjeugd.nl/wp- content/uploads/2017/12/Afwegingskader-norm- verantwoorde-werktoedeling.pdf | Dit punt raakt aan dezelfde vraag over het onderscheid tussen formele en informele hulp en de toepassing van de norm van verantwoorde werktoedeling. Wij verwijzen hiervoor naar onze reactie op artikel 7.2 en 7.4. Daarin is toegelicht dat ook professionals zonder SKJ- registratie jeugdhulp kunnen verlenen, mits zij beschikken over passende deskundigheid en de inzet verantwoord is. Hierbij wordt aangesloten bij de Jeugdwet en het Besluit Jeugdwet. Wij zien daarom geen aanleiding om de verordening op dit punt aan te passen. | N.v.t. |
|---|---|---|---|
| 2.14 | _“__Artikel 7.4 formele en informele hulp _ _Punt 2b wijkt duidelijk af van de begripsbepaling in artikel_ _1.1 waarin staat beschreven dat het personen betreft uit_ _het sociaal netwerk. Zie hierboven de uitleg m.b.t norm_ _verantwoorde werktoedeling waarmee rekening gehouden_ _dient te worden of er sprake is van formele hulp. Ook MBO_ _afgestudeerde personen moeten als professional_ _beoordeeld moeten worden.” _ | Dit punt raakt aan dezelfde vraag over het onderscheid tussen formele en informele hulp en de toepassing van de norm van verantwoorde werktoedeling. Wij verwijzen hiervoor naar onze reactie op artikel 7.2 en 7.4. Daarin is toegelicht dat ook professionals zonder SKJ- registratie jeugdhulp kunnen verlenen, mits zij beschikken over passende deskundigheid en de inzet | N.v.t. |
13
| Col1 | Col2 | verantwoord is. Hierbij wordt aangesloten bij de Jeugdwet en het Besluit Jeugdwet. Wij zien daarom geen aanleiding om de verordening op dit punt aan te passen. | Col4 |
|---|---|---|---|
| 2.15 | _“__Artikel 7.5 kwaliteitseisen individuele voorziening pgb__1a_ _VOG ouders terecht uitgesloten voor deze eis maar zou dit_ _niet uitgebreid moeten worden naar familierelaties 1e en_ _2e graads of als ze onderdeel zijn van het huishouden?” _ | De uitzondering voor ouders sluit aan bij de begripsbepaling van ‘Ouder’ in de Jeugdwet, waarin dit begrip breed is gedefinieerd en ook ziet op personen die een jeugdige verzorgen en opvoeden. Daarnaast wordt in de verordening rekening gehouden met het sociaal netwerk en de leefeenheid van de jeugdige. Daarmee worden ook naasten in de directe omgeving betrokken in de beoordeling. Wij achten het daarom niet nodig om dit verder uit te breiden naar specifieke familierelaties of huisgenoten en passen de verordening op dit punt niet aan. | N.v.t. |
| 2.16 | _“__Artikel 7.5 kwaliteitseisen individuele voorziening pgb__ 1d_ _voldoende vaardig om in de Nederlandse taal te_ _communiceren, zou hier niet aan toegevoegd moeten_ _worden voldoende vaardig om in de Nederlandse of in de_ _taal die de budgethouder spreek voldoende vaardig te zijn._ _We leven in een multiculturele samenleving waarbij_ _aanbod niet altijd passend is als er sprake is van_ _cultuursensitieve zorgvragen en er gekozen wordt eigen_ _zorgverleners in te zetten die dit wel leveren.” _ | De eis dat de hulpverlener voldoende vaardig moet zijn in de Nederlandse taal is opgenomen om te waarborgen dat afstemming met het college en andere betrokken professionals, dossiervorming en toezicht op een zorgvuldige en controleerbare manier kunnen plaatsvinden. Wij onderkennen dat taal en cultuur een belangrijke rol kunnen spelen in het bieden van passende hulp. Binnen de beoordeling van een pgb wordt hier ook rekening mee gehouden, bijvoorbeeld bij de keuze voor een hulpverlener die aansluit bij de achtergrond en behoeften van de jeugdige en het gezin. Een aanpassing van de taaleis achten wij echter niet wenselijk, omdat dit de uitvoerbaarheid en | N.v.t. |
14
| Col1 | Col2 | controleerbaarheid van de hulp kan beperken. Als college moeten wij in staat zijn om onze verantwoordelijkheid voor toezicht goed uit te kunnen oefenen. Daarom passen wij de verordening op dit punt niet aan. | Col4 |
|---|---|---|---|
| 2.17 | _“__Artikel 7.5 kwaliteitseisen individuele voorziening pgb_ _2a zie eerdere opmerking” _ | Dit punt raakt aan dezelfde vraag over het onderscheid tussen formele en informele hulp en de toepassing van de norm van verantwoorde werktoedeling. Wij verwijzen hiervoor naar onze reactie op artikel 7.2 en 7.4. Daarin is toegelicht dat ook professionals zonder SKJ- registratie jeugdhulp kunnen verlenen, mits zij beschikken over passende deskundigheid en de inzet verantwoord is. Hierbij wordt aangesloten bij de Jeugdwet en het Besluit Jeugdwet. Wij zien daarom geen aanleiding om de verordening op dit punt aan te passen. | N.v.t. |
| 2.18 | _“__Artikel 7.5 kwaliteitseisen individuele voorziening pgb__3 _ _ook hier wordt weer onterecht de niet geregistreerde_ _zorgverlener als informeel weggezet. Hier wordt nu wel de_ _norm verantwoorde werktoedeling benoemd maar MBO_ _afgestudeerde zorgverleners zijn ook formele zorgverleners_ _die hun beroep zelfstandig mogen uitoefenen als er geen_ _levensbedreigende of zeer complexe problematiek op_ _meerdere aspecten speelt. Als dit laatste van toepassing is_ _dan is inzet SKJ geregistreerde zorgverlener wel nodig. Zie_ _link naar norm verantwoorde werktoedeling bij 7.4. _ | Dit punt raakt aan dezelfde vraag over het onderscheid tussen formele en informele hulp en de toepassing van de norm van verantwoorde werktoedeling. Wij verwijzen hiervoor naar onze reactie op artikel 7.2 en 7.4. Daarin is toegelicht dat ook professionals zonder SKJ- registratie jeugdhulp kunnen verlenen, mits zij beschikken over passende deskundigheid en de inzet verantwoord is. Hierbij wordt aangesloten bij de Jeugdwet en het Besluit Jeugdwet. Wij zien daarom geen aanleiding om de verordening op dit punt aan te passen. | N.v.t. |
| 2.19 | _“__Artikel 7.6 Hoogte pgb _ _1 tarief dient altijd toereikend te zijn” _ | Het uitgangspunt dat een pgb-tarief toereikend moet zijn, onderschrijven wij. | N.v.t. |
15
| Col1 | Col2 | In artikel 7.6 is dit al geborgd. De hoogte van het pgb wordt vastgesteld op basis van de noodzakelijke hulp en een doelmatige besteding van middelen. Daarnaast is bepaald dat het budget toereikend moet zijn om te voldoen aan de bij wet verplichte werkgeverslasten. Voor het sociaal netwerk geldt minimaal het wettelijk minimumloon. Daarmee sluit de verordening aan bij de geldende jurisprudentie en landelijke ontwikkelingen, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen beroepsmatige zorgverleners en het sociaal netwerk. Tegelijk blijft maatwerk mogelijk. Het college beoordeelt per situatie of het toegekende budget passend en toereikend is en kan waar nodig afwijken, bijvoorbeeld via de hardheidsclausule. Wij zien daarom geen aanleiding om de verordening op dit punt aan te passen. | Col4 |
|---|---|---|---|
| 2.20 | _“__Artikel 7.6 Hoogte pgb_ _2 Bij minimumloon moet rekening gehouden worden_ _met opslag vakantiegeld 8% en opslag vakantie uren_ _14,4% (deze worden bij pgb niet seperaat geregeld en_ _tarief moet inclusief zijn). _ _Het Wml wordt jaarlijks 2x aangepast (1 januari en 1 juli)._ _Je mag immers nooit onder het Wml uitkomen. _ _Voor personen met een arbeidsovereenkomst zal ten_ _minste de laagste inschaling van het CAO gevolgd moeten_ _worden met opslag vakantiegeld 8%, opslag vakantie uren_ _14,4% en opslag werkgeverslasten (17,7 of 22,7%)” _ | In artikel 7.6 lid 5 is opgenomen dat de tarieven zodanig worden vastgesteld dat de budgethouder binnen het beschikbare budget kan voldoen aan de bij wet verplichte werkgeverslasten. Hieronder vallen onder andere vakantiegeld, verlofopbouw en sociale lasten. Het wettelijk minimumloon en de periodieke aanpassingen daarvan gelden rechtstreeks en worden in de uitvoering gevolgd. De hoogte van het pgb wordt hierop afgestemd, zodat niet onder het wettelijk minimum wordt uitgekomen. Voor een pgb geldt niet dat automatisch een CAO van toepassing is. Daarom nemen wij dit niet als generieke eis op in de verordening. | N.v.t. |
16
| Col1 | Col2 | Wij achten dit met de huidige formulering voldoende geborgd en passen de verordening op dit punt niet aan. | Col4 |
|---|---|---|---|
| _Nr. 3 _ _Gemeente Leiden _ | _Nr. 3 _ _Gemeente Leiden _ | _Nr. 3 _ _Gemeente Leiden _ | _Nr. 3 _ _Gemeente Leiden _ |
| _Inspraak _ | Reactie College | Gevolgen voor Verordening Jeugdhulp Voorschoten 2026 | |
| 3.1 | _“Wij adviseren de gemeente Leiden om in de definitieve_ _verordening of nadere regels: _ _Expliciet op te nemen dat Jeugdigen en ouders actief_ _worden gewezen op hun recht om een familiegroepsplan_ _op te stellen.” _ | Dit staat in de verordening genoemd onder artikel 4.1.3.d. _“Het college wijst de jeugdige of ouder in de_ _ontvangstbevestiging voorafgaand aan het onderzoek op:_ _de mogelijkheid om een familiegroepsplan op te stellen_ _binnen twee weken na de aanvraag.”_ | N.v.t. |
| 3.2 | _“Te borgen dat dit plan in een vroeg stadium van het_ _onderzoek kan worden opgesteld voor besluitvorming over_ _individuele voorzieningen.” _ | Dit staat in de verordening genoemd onder artikel 4.1.3.d. _“Het college wijst de jeugdige of ouder in de_ _ontvangstbevestiging voorafgaand aan het onderzoek op:_ _de mogelijkheid om een familiegroepsplan op te stellen_ _binnen twee weken na de aanvraag.”_ | N.v.t. |
| 3.3 | _“Vast te leggen dat passende onafhankelijke ondersteuning_ _beschikbaar is bij het opstellen van een familiegroepsplan.” _ | Onafhankelijke cliëntondersteuning is naar aanleiding van de inspraak expliciet opgenomen als beschikbare algemene voorzieningen (artikel 2.1.2). Deze inzet kan ook ondersteuning bieden bij het opstellen van een familiegroepsplan. | Onafhankelijke cliëntondersteuning is opgenomen in artikel 2.1.2 Algemene voorzieningen. |
| 3.4 | _“Te expliciteren hoe het familiegroepsplan wordt_ _meegewogen in besluitvorming.” _ | In artikel 4.2.3 wordt geborgd dat het familiegroepsplan onderdeel is van het onderzoek. Het onderzoek vormt de basis voor de inzet van ondersteuning vanuit de toegang jeugdhulp vanuit de gemeente. Hiermee is de weging van het familiegroepsplan in de ondersteuning geborgd in lijn met de jeugdwet. | N.v.t. |
17
| Nr. 4 Gemeente Leiderdorp | Col2 | Col3 | Col4 |
|---|---|---|---|
| _Inspraak _ | Reactie College | Gevolgen voor Verordening Jeugdhulp Voorschoten 2026 | |
| 4.1 | _“1. De adviesraad constateert dat de beschrijving_ _behoorlijk uitgebreid is. Dit maakt het geheel wat_ _onleesbaar, zeker voor inwoners en niet professionals. Een_ _gevolg hiervan is dat het voor inwoners lastig kan zijn om_ _te achterhalen wat hun rechten en plichten zijn. Daarbij_ _wordt er niet bij ieder artikel nadere uitleg gegeven. Een_ _suggestie is om tekst met nadere uitleg te verwerken in de_ _Nadere Regels Jeugdhulp met een verwijzing naar het_ _betreffende artikel in de Verordening. Hierdoor wordt de_ _basistekst van de Verordening korter en dus leesbaarder.”_ | De verordening is inderdaad uitgebreid, onder meer doordat bepaalde onderdelen - zoals de regeling rondom het pgb - wettelijk verplicht in de verordening moeten worden opgenomen. Deze onderdelen kunnen niet worden verplaatst naar de nadere regels. Bij het opstellen van de verordening hebben wij ons gehouden aan de geldende wettelijke kaders. Tegelijkertijd begrijpen wij de zorg over de leesbaarheid en toegankelijkheid voor inwoners. Het is echter niet de bedoeling om via de Nadere regels Jeugdhulp aanvullende inhoudelijke verduidelijkingen of uitleg toe te voegen aan de verordening. De Nadere regels zullen wel worden opgesteld binnen hun eigen juridische reikwijdte, maar niet als middel om de verordening inhoudelijk te vereenvoudigen of te herschrijven. | N.v.t. |
| 4.2 | _“2. Een aantal begrippen worden niet in het artikel_ _begripsbepaling toegelicht. Bijvoorbeeld wat wordt_ _bedoeld met: _ _-Gecertificeerde instelling _ _-Familiegroepsplan _ _-Arrangeringsprocessen _ _Mogelijk kan hier nog eens naar gekeken en aangepast_ _worden, ter bevordering van de leesbaarheid.” _ | In artikel 1.1 worden alleen begrippen vermeld die niet zijn opgenomen in artikel 1.1 van de Jeugdwet. De begrippen Gecertificeerde instelling en Familiegroepsplan worden toegelicht in de Jeugdwet. | N.v.t. |
| 4.3 | _“3. Regelmatig wordt in de Verordening gesproken over de_ _gemeentelijke toegang. Noteer in de Verordening dat dit de_ | Het is belangrijk om de formulering zo in te richten dat deze niet te sterk aan één specifieke | N.v.t. |
18
| Col1 | Jeugdteams Leidse Regio betreft, zodat de lezer weet waar dit over gaat. Vermeld ook wie uiteindelijk de beslissing neemt over de beschikking.” | uitvoeringsorganisatie of momentopname wordt gekoppeld, zodat de verordening ook bij eventuele toekomstige organisatorische wijzigingen bruikbaar blijft. | Col4 |
|---|---|---|---|
| 4.4 | _“4. Zorg dat het gehele proces van toegang tot_ _ondersteuning zo kort als mogelijk plaats vindt, ook al is er_ _geen sprake van urgentie.” _ | Het uitgangspunt is dat het proces van toegang tot ondersteuning zo kort mogelijk wordt gehouden, ook wanneer er geen sprake is van urgentie. Dit betekent dat onnodige wachttijden en doorlooptijden worden beperkt door snel te schakelen, vroegtijdig te signaleren en direct passende stappen te zetten in de ondersteuning. | |
| 4.5 | _“De adviesraad heeft de volgende vragen: _ _1. Hoe verhoudt zich deze Verordening tot de regionale_ _visie gespecialiseerde jeugdhulp?” _ | De verordening is een uitwerking van de regionale visie op gespecialiseerde jeugdhulp. De regionale visie beschrijft de inhoudelijke koers en gezamenlijke ambities van de gemeenten, terwijl de verordening deze vertaalt naar kaders voor de uitvoering binnen de Leidse regio. De regionale visie wordt medio 2026 vastgesteld in alle gemeenteraden van de regio Holland Rijnland. | N.v.t. |
| 4.6 | _“2.Hoe verhoudt zich deze Verordening tot de proeftuin_ _integrale toegang?” _ | N.v.t. | Lokaal beantwoorden (Leiderdorp) |
| 4.7 | _“3.Hoe in/overzichtelijk is het voor ouders om zonder_ _melding bij de algemene voorzieningen te komen?” _ | Algemene voorzieningen zijn vrij toegankelijk en vereisen geen melding of beschikking. Ouders kunnen hier rechtstreeks gebruik van maken. Wij vinden het belangrijk dat deze voorzieningen goed vindbaar en toegankelijk zijn. Daarom zorgen wij voor duidelijke informatie via onder andere de gemeentelijke website, het jeugdteam en samenwerkingspartners zoals scholen, huisartsen en welzijnsorganisaties. Daarnaast kunnen ouders altijd terecht bij het jeugdteam voor vragen en ondersteuning bij het vinden van passende hulp, ook zonder dat direct een melding wordt gedaan. Wij blijven aandacht houden voor de vindbaarheid en toegankelijkheid van deze voorzieningen. | N.v.t. |
19
| 4.8 | “4.De gemeentelijke toegang werkt outreachend, wat wordt hier nu precies mee bedoeld?” | Outreachend werken betekent dat professionals van de gemeentelijke toegang niet afwachten tot hulpvragen worden gesteld, maar actief aanwezig zijn in de wijk en contact zoeken met gezinnen en samenwerkingspartners zoals scholen, kinderopvang en huisartsen. Hierdoor worden problemen eerder gesignaleerd en kan sneller passende ondersteuning worden geboden. De concrete uitwerking is vastgelegd in de opdracht aan het jeugdteam, waarin deze actieve en preventieve rol is uitgewerkt. | N.v.t. |
|---|---|---|---|
| _Nr. 5 _ _Gemeente Oegstgeest _ | _Nr. 5 _ _Gemeente Oegstgeest _ | _Nr. 5 _ _Gemeente Oegstgeest _ | _Nr. 5 _ _Gemeente Oegstgeest _ |
| _Inspraak _ | Reactie College | Gevolgen voor Verordening Jeugdhulp Voorschoten 2026 | |
| 5.1 | _“__Artikel 1.1__ Neem in de begripsbepaling op dat de_ _wettelijke vertegenwoordiger van de jeugdige de ouder(s)_ _of voogd(en) zijn en dat daar waar ouders staat ook voogd_ _gelezen kan worden. Eventueel kan ook gekozen worden_ _voor gezaghebbende(n). Ratio: soms staat er ouders en/of_ _wettelijke vertegenwoordiger(s) en soms alleen ouders.” _ | In de begripsbepaling staan alleen begrippen aanvullend op de begrippen in de jeugdwet opgenomen. In de jeugdwet staat het begrip ouder uitgelegd als “ouder: gezaghebbende ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder;”. Hiermee is het ons inziens niet nodig hier nog een aanvullend begrip voor op te nemen. | N.v.t. |
| 5.2 | _“__Artikel 2.3 Individuele voorziening_ _Een voorliggende voorziening is een voorziening waarop je_ _eerst aanspraak op moet maken alvorens je in aanmerking_ _kunt komen voor de achterliggende voorziening. De vraag_ _die wij ons stellen is of dit hier ook het geval is. De_ _bedoeling zal zijn: als de voorziening past binnen de_ _generieke jeugdhulp dan ontvang je geen individuele_ _voorziening, hetgeen begrijpelijk en wenselijk is. Toch zijn_ | Naar aanleiding van deze inspraak aangepast. Opgenomen artikel is: _“Indien passende_ _groepsbegeleiding of_ _behandelingbeschikbaar _ |
20
| Col1 | er situaties, waar deze verordening op ziet, de voorliggende voorziening niet passend is. Indien met een groeps- of generieke voorziening of behandeling passend of toereikend is bij de te bieden jeugdhulp, wordt geen individuele jeugdhulp in dit kader aangeboden of toegekend. Het accent op de gelijkwaardigheid van de maatregel als er, terecht, gekozen wordt om algemene jeugdhulp in te zetten, komt zo mogelijk beter tot zijn recht.” | Col3 | is, is dit voorliggend aan individuele begeleiding of behandeling.” |
|---|---|---|---|
| 5.3 | _“__Artikel 3.2. _ _Ten aanzien van de verwijzing van de familierechter zou de_ _algemene opmerking aan het einde van de eerste zin, te_ _weten ‘betekent dit niet dat er direct toegang tot jeugdhulp_ _bestaat’ weggelaten kunnen worden. De vraag die wij_ _stellen is welke waarde een vonnis van de rechter heeft_ _indien deze jeugdhulp noodzakelijk acht waarbij ook_ _generieke maatregelen een optie kunnen zijn. Wellicht is_ _het om discussie dienaangaande te voorkomen en_ _verwarring te vermijden om het artikel als volgt te_ _formuleren. _ _Wanneer een familierechter bepaalt dat jeugdhulp_ _noodzakelijk is in een echtscheidingssituatie zal vooraleerst_ _de ondersteuningsaanvraag door het college beoordeeld_ _worden. Zij beoordeelt of een individuele voorziening_ _noodzakelijk is. _ _Tevens stellen wij hier de vraag of dit ook in andere_ _beschikkingen of vonnissen van de rechter tot de_ _mogelijkheden behoort. Te denken valt hier bijvoorbeeld_ _aan een vonnis van de strafrechter of een verwijzing van de_ _Officier van Justitie bij lichtere vergrijpen van minderjarigen_ _waarin het strafrecht (als instrument) niet ingezet kan_ | Onzes inziens is uw suggestie inhoudelijk gelijk aan de tekst in artikel 3.2.1. Aangezien wij ook in de verordening vast willen houden aan zo makkelijk mogelijk taalgebruik blijven wij bij de verwoording zoals in het huidige artikel. Bij een verwijzing via het gedwongen kader is hier geen sprake van. Dit loopt via de gecertificeerde instellingen. | N.v.t. |
21
| Col1 | worden. Mocht dit zo zijn dan zou dit artikel ook nog verder uitgebreid kunnen worden door ook dit mee te nemen.” | Col3 | Col4 |
|---|---|---|---|
| 5.4 | _“__Artikel 4.1 lid 4 luidt__: Bij de beoordeling van een aanvraag_ _om jeugdhulp stemt het college af met andere_ _voorzieningen. _ _Is hier niet bedoeld(?): _ _Bij de beoordeling van een aanvraag om jeugdhulp zal het_ _college een (afweging? en) afstemming maken met een_ _andere beschikbare of reeds verleende (?) voorzieningen. _ _Ratio: ons is niet duidelijk of de andere voorziening nog_ _voorstaat (aangezien deze bijvoorbeeld in aanvraag of_ _passender is) of reeds is verkregen.” _ | Naar aanleiding van deze inspraak is de tekst van dit artikel verduidelijkt. Hiertoe is opgenomen “_Bij de beoordeling van_ _een aanvraag om_ _jeugdhulp stemt het_ _college af met andere_ _beschikbare of al _ _verleende _ _voorzieningen.”_ | |
| 5.5 | _“__Artikel 5.2_ _Ten aanzien van art 5.2. lid 1 sub d gaan wij ervanuit dat_ _een verwijzing naar een aanvullende zorgverzekering pas_ _geëffectueerd wordt als die verzekering ook daadwerkelijk_ _een (geschikte) voorziening biedt.” _ | Een verwijzing naar een aanvullende zorgverzekering is alleen aan de orde wanneer deze verzekering daadwerkelijk voorziet in een passende en toereikende oplossing voor de hulpvraag. Hierbij wordt per individueel geval beoordeeld of de betreffende voorziening inhoudelijk passend is, tijdig beschikbaar is en in voldoende mate wordt vergoed. Indien dit niet het geval is, kan van jeugdigen en/of ouders niet worden verwacht dat zij hierop een beroep doen. In die situaties blijft het uitgangspunt dat, conform de Jeugdwet, een passende individuele voorziening wordt ingezet. Dit sluit aan bij vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, waarin is bepaald dat eerst moet worden vastgesteld of een voorliggende voorziening daadwerkelijk passend en toereikend is. Als dat niet het geval is, blijft de gemeente gehouden om passende ondersteuning te bieden. | N.v.t. |
22
| 5.6 | “Artikel 5.2 In lid 8 wordt aangegeven dat de ouders in bepaalde situaties de hulp zelf (eventueel deels) zelf verlenen. De conclusie die daaraan wordt verbonden is dat het college geen voorziening biedt. Is deze conclusie gerechtvaardigd als de hulp slechts deels geboden kan worden? Is het in deze situatie ook mogelijk om voor dat deel waar geen hulp geboden kan worden een voorziening, voor dat deel, te - kunnen- bieden?” | Het uitgangspunt is dat van ouders wordt verwacht dat zij boven gebruikelijke hulp verlenen, ook wanneer dit slechts een deel van de benodigde ondersteuning betreft, mits dit redelijkerwijs van hen kan worden gevraagd. Dit wordt beoordeeld aan de hand van factoren zoals beschikbaarheid, belastbaarheid en de (financiële) situatie van het gezin. Indien deze factoren niet leiden tot problemen, wordt verwacht dat ouders deze (gedeeltelijke) hulp zelf bieden en wordt geen individuele voorziening verstrekt. Wanneer ouders echter niet in staat zijn om de volledige benodigde hulp te bieden, wordt per situatie beoordeeld of en voor welk deel aanvullende ondersteuning nodig is. In dat geval kan, conform de Jeugdwet, wel een individuele voorziening worden ingezet voor het deel waarin de eigen mogelijkheden ontoereikend zijn. | N.v.t. |
|---|---|---|---|
| 5.7 | _“__Artikel 5.2_ _Lid 9 van dit artikel geeft in de tweede situatie aan dat als_ _een ouder/de ouders problemen op het werk of buiten de_ _zorg ervaart/ervaren, de ouders eerst een oplossing zoekt_ _in de oorzaak van de spanningen. Op zich een begrijpelijke_ _eis. Desalniettemin zijn er ook problemen mogelijk waarvan_ _de oorzaak niet weg te nemen is. Te denken valt aan_ _bijvoorbeeld een reorganisatie en (daaraan gekoppeld)_ _dreigend ontslag. _ _Zou dit dan niet afgedekt kunnen worden door te stellen_ _dat in deze situatie de ouder de oorzaak van deze_ _overbelasting of spanningen weg dient te nemen of op te_ _lossen voor zover dit redelijkerwijze van de ouders_ _verwacht mag worden.” _ | Uitgangspunt binnen de Jeugdwet is dat altijd een individuele beoordeling plaatsvindt. Wanneer sprake is van overbelasting door factoren buiten de zorg voor de jeugdige (zoals werk), wordt eerst gekeken of en in hoeverre van ouders redelijkerwijs verwacht mag worden dat zij zelf invloed kunnen uitoefenen op deze situatie. Daarbij wordt nadrukkelijk meegewogen of de oorzaak van de spanningen daadwerkelijk beïnvloedbaar is. Indien dit niet (volledig) het geval is, zoals bij externe omstandigheden als een reorganisatie of dreigend ontslag, kan niet zonder meer van ouders worden verwacht dat zij deze spanningen oplossen. Dit wordt betrokken bij de beoordeling van de belastbaarheid van ouders en de vraag of aanvullende ondersteuning noodzakelijk is. | N.v.t. |
| _Nr. 6 _ _Gemeente Zoeterwoude _ | _Nr. 6 _ _Gemeente Zoeterwoude _ | _Nr. 6 _ _Gemeente Zoeterwoude _ | _Nr. 6 _ _Gemeente Zoeterwoude _ |
23
| Col1 | Inspraak | Reactie College | Gevolgen voor Verordening Jeugdhulp Voorschoten 2026 |
|---|---|---|---|
| 6.1 | _“Opmerking _ _Het uitgangspunt van de verordening is goed, namelijk_ _eerst de problemen oplossen in de eigen omgeving. _ _Belangrijkste vraag is: wat is het doel van de verordening,_ _waar wil je heen als gemeente, waar wil je op uitkomen. Is_ _dat de burger helpen of is dat bezuiniging. _ _Nu lijkt de gemeente zich in te dekken, maar wat heeft de_ _burger eraan. De gemeente stelt zich op als centrale_ _regievoerder en als beheerder van het geld. _ _Ons advies zou zijn dat de gemeente de burger meer_ _betrekt bij de besluitvorming en bij de keuzes die gemaakt_ _moeten worden. Je zou duidelijker moeten maken dat je nu_ _eenmaal keuzes moet maken van wat wel en niet kan. De_ _gemeente moet laagdrempelig helpen en goed uitleggen_ _waarom iets wel of niet kan. Er moet ook voldoende geld_ _zijn en een goed functionerend sociaal team. Duidelijk moet_ _zijn waar de grens ligt om wel of niet te behandelen. _ _Als ouders een beroep kunnen doen op het sociale netwerk_ _voor het bieden van ondersteuning bij de benodigde hulp_ _aan de jeugdige wordt van hen verwacht dat ze hier_ _gebruik van maken. De ondersteuning die het sociale_ _netwerk biedt, valt onder de eigen kracht. Het college_ _verstrekt hiervoor geen individuele voorziening tot_ _jeugdhulp. _ _Ons advies is ook om duidelijker te maken hoe het college_ _de beoordeling heeft gedelegeerd en wie de_ _toezichthouders zijn en wie de vertrouwenspersoon en hoe_ _de externe zorg erbij wordt betrokken. Daarnaast moet ook_ _duidelijk zijn wat de criteria zijn voor beoordeling en welke_ | Het doel van de verordening is en blijft het bieden van passende ondersteuning aan jeugdigen en gezinnen, binnen de kaders van de Jeugdwet. Tegelijkertijd vraagt de toegenomen vraag naar jeugdhulp en de beperkte beschikbaarheid van middelen om scherpe keuzes. Dit betekent dat wij nadrukkelijk sturen op het versterken van eigen kracht en het sociale netwerk, zonder het belang van tijdige en passende ondersteuning uit het oog te verliezen. Daarnaast is dit ook van belang om het jeugdstelsel op de lange termijn houdbaar te houden. Dit vraagt om duidelijke keuzes over de reikwijdte van de Jeugdwet: wat valt wel onder jeugdhulp en wat niet, en wat redelijkerwijs van ouders en het sociale netwerk verwacht mag worden onder eigen kracht. Het expliciteren van deze grenzen draagt bij aan duidelijkheid voor inwoners en professionals. We zien het als onze verantwoordelijkheid om helder te communiceren over afwegingskaders, grenzen en verwachtingen, en om inwoners beter mee te nemen in de keuzes die gemaakt worden. Dit geldt ook voor de rolverdeling binnen de uitvoering, waaronder de inzet van het sociaal team, toezicht, de positie van de vertrouwenspersoon en de betrokkenheid van externe zorgaanbieders. Ten aanzien van de beoordeling van aanvragen geldt dat deze altijd plaatsvindt op basis van een individuele en zorgvuldige afweging, waarbij deskundigheid wordt | N.v.t. |
24
_deskundige dat dan bepaalt. Hetzelfde geldt voor de_ _beoordeling van het vermogen van de persoon of het gezin_ _om het pgb zelf te beheren._ _We begrijpen dat er beperkte financiën zijn. De vraag naar_ _jeugdhulp is immers geëxplodeerd en daardoor is ook de_ _markt eromheen geëxplodeerd. Toch adviseren wij dat de_ _gemeente op bepaalde vlakken meer duidelijkheid dient te_ _geven, zodat de burger kan beoordelen of ze iets wel of niet_ _krijgen en wanneer._ _Er is (te) weinig geld voor passende zorg, er wordt veel_ _doorgeschoven naar het sociaal netwerk en er wordt_ _gezocht naar goedkopere en dus minder intensieve zorg._ _Deze maatregelen moeten de zorg goedkoper maken, maar_ _kunnen in een later stadium veel en hogere kosten_ _veroorzaken. Wij adviseren dan ook dat de gemeente bij_ _elke maatregel zou moeten nagaan wat de gevolgen zijn_ _voor alle betrokkenen en de kans dat meer en complexere_ _zorg nodig is._ _Het betreft hier een regionale verordening, maar_ _onduidelijk is ook wat de specifieke inbreng van_ _Zoeterwoude zelf is._ _De Adviesraad pleit nog eens voor het model waarbij van_ _onderaf en in de eigen leefomgeving de zaken opgelost_ _worden. Denk aan het IJslandse preventiemodel (OKO,_ _opgroeien in een kansrijke omgeving), waarbij niet alleen_ _de overheid verantwoordelijk is voor de jeugdhulp, maar_ _ook de omgeving van de jeugdige, b.v. ouders. Een_ _voorbeeld: in IJsland heeft de overheid in samenspraak met_ _de ouders voor extra sportfaciliteiten gezorgd, met goede_ _trainers. De ouders hebben mede de regels opgesteld, zoals_ _geen jeugd meer na 22.00 uur op straat en zichtbaar zijn op_ _straat om jeugd aan te spreken. Een gemeente in de Leidse_ _regio wil dit model globaal gaan invoeren._
ingezet passend bij de hulpvraag. Dit geldt eveneens voor de beoordeling van pgb-vaardigheden. Het uitgangspunt van de verordening is dat steeds wordt gekeken naar wat passend en noodzakelijk is, waarbij ook de langere termijn effecten worden meegewogen. Het voorkomen van zwaardere problematiek blijft daarbij een belangrijk aandachtspunt. Met betrekking tot uw vraag over de regionale verordening merken wij op dat deze in gezamenlijkheid met gemeenten in de Leidse regio is opgesteld. De lokale inbreng, waaronder die van Zoeterwoude, is hierin meegenomen via bestuurlijke en ambtelijke afstemming. Het door u genoemde preventieve model (zoals het IJslandse model) sluit aan bij de beweging die wij ook regionaal en lokaal nastreven: het versterken van de leefomgeving van jeugdigen en het inzetten op preventie. Daarnaast sluiten wij met deze verordening aan bij landelijke ontwikkelingen, waaronder de maatregelen van de Taskforce Jeugd gericht op het verbeteren van de houdbaarheid van het jeugdstelsel. Ook is rekening gehouden met recente jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, waarin het belang van een zorgvuldige, individuele afweging en duidelijke afbakening van verantwoordelijkheden wordt benadrukt. Tevens is de verordening gebaseerd op de modelverordening van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, zodat deze aansluit bij landelijke richtlijnen en uitvoeringspraktijk. Tot slot: de nadere regels met betrekking tot algemene voorzieningen zijn in voorbereiding. Wij verwachten deze op korte termijn vast te stellen en zullen u hierover informeren
25
| Col1 | Het college kan in nadere regels vaststellen welke algemene voorzieningen concreet op basis van lid 1 beschikbaar zijn en toelichten wat deze inhouden. We zouden graag horen wanneer dat gaat gebeuren.” | Col3 | Col4 |
|---|---|---|---|
| _Nr. 7 _ _Gemeente Voorschoten _ | _Nr. 7 _ _Gemeente Voorschoten _ | _Nr. 7 _ _Gemeente Voorschoten _ | _Nr. 7 _ _Gemeente Voorschoten _ |
| _Inspraak _ | Reactie College | Gevolgen voor Verordening Jeugdhulp Voorschoten 2026 | |
| 7.1 | _“Onze huisartsen merken dat onder de_ _Praktijkondersteuners Jeugd (POH) veel uitval is. Na_ _uitvraag blijkt de uitval veroorzaakt te worden door een_ _hoge mate van frustratie en werkdruk die ontstaat doordat_ _de POH-jeugd zijn/haar patiënten niet kwijt kan in het_ _jeugdzorg aanbod. De POH-jeugd is hierdoor veel tijd kwijt_ _om een plek te vinden voor de patiënt. Het wringt dus aan_ _de inkoopkant van jeugdzorg waardoor er een tekort is aan_ _capaciteit waardoor er te weinig ruimte is om patiënten_ _direct door te kunnen verwijzen. Uiteraard is dit niet_ _wenselijk voor de kwaliteit van zorg voor de jeugd van_ _Voorschoten. _ _Is dit een signaal dat de gemeente eerder heeft bereikt? Ik_ _ben zeer benieuwd.” _ | De druk op de jeugdhulp is de afgelopen jaren toegenomen, wat zich onder meer uit in wachtlijsten en beperkte beschikbaarheid van passende hulp. Dit heeft inderdaad ook impact op de werkzaamheden en ervaren werkdruk van Praktijkondersteuners Jeugd (POH-jeugd), onder andere doordat het meer tijd kost om passende vervolgzorg te organiseren. Tegelijkertijd geldt dat deze knelpunten breder spelen binnen de jeugdketen en niet specifiek zijn voor de gemeente Voorschoten. De toegenomen vraag naar jeugdhulp en de spanning op de capaciteit zijn landelijke ontwikkelingen. Om die reden zijn deze aspecten niet opgenomen in de verordening, die zich primair richt op het juridisch kader en de toegang tot voorzieningen op grond van de Jeugdwet. We gaan graag met u in gesprek over de door u geschetste knelpunten. | N.v.t. |
| _Nr 8 Gemeente Voorschoten _ | _Nr 8 Gemeente Voorschoten _ | _Nr 8 Gemeente Voorschoten _ | _Nr 8 Gemeente Voorschoten _ |
| 8.1 | _“In artikel 3.2 wordt gesteld dat een uitspraak van de_ _familierechter niet direct toegang geeft tot jeugdhulp._ _Vanuit de gemeente is dit wellicht te begrijpen, echter als_ _een gezin de vaak intensieve en emotioneel belastende weg_ | De Jeugdwet kent als wettelijke verwijzers de gemeentelijke toegang, huisartsen, jeugdartsen, jeugdartsen, medisch specialisten en gecertificeerde instellingen (GI). De familierechter is geen wettelijke | N.v.t. |
26
| Col1 | langs een familierechter heeft gelopen en daar een uitspraak heeft gekregen, is een nieuwe afweging en wellicht een afwijzing van jeugdhulp weinig behulpzaam. De ASDV adviseert dan ook zeer terughoudend te zijn in het opnieuw afwegen van adviezen en oordelen van de familierechter. | verwijzer. Dit betekent dat wanneer er sprake is van een uitspraak of advies van de familierechter, de inzet van jeugdhulp plaatsvindt in het vrijwillig kader en daarvoor een aanvraag bij een wettelijke verwijzer noodzakelijk is. In de praktijk is dit doorgaans de gemeentelijke toegang. Wanneer het Sociaal Service Team (SST) via de rechtbank het advies ontvangt om jeugdhulp in te zetten, wordt dit advies in de regel overgenomen. Gemeenten hechten zwaar aan het oordeel van de familierechter en nemen dit als uitgangspunt in hun handelen. Omdat toestemming van ouders vereist is in het vrijwillig kader, wordt formeel een aanvraag gedaan bij de gemeentelijke toegang. De gemeente neemt vervolgens actief contact op met het gezin om deze aanvraag zorgvuldig en zo laagdrempelig mogelijk af te handelen. Hierbij sluit de gemeente in de praktijk al aan bij de zienswijze van de ASDV om terughoudend om te gaan met het opnieuw inhoudelijk afwegen van de noodzaak van jeugdhulp in te zetten na advies van de rechter. | Col4 |
|---|---|---|---|
| 8.2 | _“In artikel 4.1 lid 1 is sprake van een aanvraagformulier. De_ _ASDV adviseert dit aanvraagformulier uitgebreid te testen_ _op duidelijkheid, klantvriendelijkheid en gemak alvorens dit_ _beschikbaar te stellen.” _ | We dragen zorg voor een klantvriendelijk en makkelijk te vinden formulier bij inwerkingtreding van de nieuwe verordening per september 2026. We zullen dit formulier ontwikkelen in samenspraak met SST, afdeling ICT en communicatie en vervolgens nog aan de ASDV voorleggen. | n.v.t. |
| 8.3 | _“In artikel 4.4 lid 2d wordt gesproken van een ‘buddy’. Deze_ _persoon wordt nergens in de verordening beschreven of_ _omschreven.” _ | We onderschrijven dit punt en constateren dat deze term of functie niet van toepassing is in Voorschoten. Om deze reden zullen we dit lid schrappen.” |
27
| 8.4 | “Aan artikel 5.2 lid 3 adviseert de ASDV om de gezinssituatie toe te voegen als factor voor het bepalen of benodigde hulp uitgaat boven de hulp van een jeugdige van dezelfde leeftijd.” | De gezinssituatie is al op meerdere plaatsen expliciet verankerd in de verordening en vormt daarmee een vast onderdeel van de integrale afweging door het college (en in de uitvoering door het SST). Zo is in artikel 1.1, derde lid (begripsbepaling ‘bovengebruikelijke hulp’) opgenomen dat bij de beoordeling rekening wordt gehouden met de omstandigheden van de jeugdige en het gezin. Daarnaast wordt in artikel 5.2, zevende lid, onder j de gezinssamenstelling en onderlinge verhoudingen expliciet benoemd als factor bij de beoordeling in langdurige situaties. Ook in artikel 5.4, tweede lid is vastgelegd dat bij het bepalen van de duur en intensiteit van de voorziening wordt gekeken naar onder meer de gezinssituatie en de context waarin de jeugdige opgroeit. De beoordeling of sprake is van (boven)gebruikelijke hulp vindt daarmee niet los van de gezinssituatie plaats, maar juist in samenhang met de bredere context van het gezin. De gemeente acht het daarom niet noodzakelijk om de gezinssituatie aanvullend op te nemen in artikel 5.2, derde lid, omdat dit aspect elders in de verordening al duidelijk en samenhangend is geborgd. | N.v.t. |
|---|---|---|---|
| 8.5 | _“In artikel 6.3 lid 3b zou een maximumtermijn moeten_ _worden opgenomen voor de ingang van de jeugdhulp._ _Indien de maximumtermijn niet haalbaar is (binnen de_ _contracten met hulpverleners van de gemeente), adviseert_ _de ASDV om dit als reden op te nemen voor het toewijzen_ _van een pgb zodat ouders dan zelfstandig op zoek kunnen_ _naar jeugdhulpverlening.” _ | De gemeente begrijpt deze zorg en deelt het belang van tijdige inzet van passende hulp. In de uitvoeringspraktijk is de wachttijd bij aanbieders een wezenlijk onderdeel van de afweging bij het bepalen welke aanbieder wordt ingezet. Het Sociaal Service Team (SST) heeft inzicht in de actuele wachttijden bij gecontracteerde aanbieders en betrekt daarnaast factoren zoals veiligheid, zorgzwaarte en urgentie bij de afweging. Wanneer wachttijden leiden tot onaanvaardbare risico’s, wordt hier actief op bijgestuurd. | N.v.t. |
28
| Col1 | Col2 | Het opnemen van een vaste maximumtermijn in de verordening acht de gemeente echter niet wenselijk. De benodigde inzet en aanvaardbare wachttijd verschillen sterk per situatie, type hulp en mate van urgentie. Een generieke termijn zou onvoldoende recht doen aan deze verschillen en kan de benodigde maatwerkafweging beperken. Ten aanzien van het pgb geldt dat dit geen automatisch alternatief is bij wachttijden. De keuze voor een pgb wordt na afronding van het onderzoek gemaakt en is gebonden aan wettelijke criteria. Ouders kunnen een pgb aanvragen vanuit eigen overwegingen, mits zij voldoen aan de voorwaarden, waaronder een toets op pgb-vaardigheid. Niet alle ouders beschikken over deze vaardigheden, en ook niet in alle situaties is een pgb de meest passende vorm van ondersteuning. Samenvattend borgt de gemeente tijdige en passende inzet van jeugdhulp door wachttijden actief mee te wegen en waar nodig maatwerk te leveren. Het vastleggen van een maximumtermijn of het rechtstreeks koppelen van wachttijden aan pgb-toekenning past niet binnen het uitgangspunt van zorgvuldige, situationele en wettelijk verantwoorde besluitvorming. | Col4 |
|---|---|---|---|
| 8.6 | _“In artikel 8.5 lid 4 wordt gesproken van ‘integraal_ _arrangeren’ zonder dat dit ergens wordt toegelicht.” _ | De werkwijze integraal arrangeren is een professionele term die bekend is bij professionals in jeugdhulp, voorliggende voorzieningen en het onderwijs. Het is een werkwijze die onderdeel is van afspraken op regionaal niveau tussen gemeenten in Holland Rijnland en de zes samenwerkingsverbanden voor passend onderwijs. In Voorschoten wordt in juni een tweede brede bijeenkomst gehouden over deze werkwijze voor alle bij jeugdigen betrokken partners zoals de scholen, jeugdgezondheidszorg, (school)maatschappelijk werk, | N.v.t. |
29
| Col1 | Col2 | kinderopvang, voorschoolse voorzieningen, etc. De werkwijze houdt in dat altijd als er sprake is van zorg of (dreigende) uitval, professionals van verschillende organisaties in een vroeg stadium volgens een vaste werkwijze met elkaar afstemmen en samenwerken. Dit draagt bij aan normaliseren, demedicaliseren en zo zorgen we ervoor dat jeugdigen zich zo veel mogelijk in reguliere voorzieningen zoals school en kinderopvang kunnen ontwikkelen. | Col4 |
|---|---|---|---|
| 8.7 | _“In art. 9.2 lid 4 staat dat het pgb ingetrokken kan worden_ _als het traject bij de jeugdhulpverlener niet binnen 3_ _maanden is gestart. De ASDV vraagt zich af of deze termijn_ _niet te kort is gezien de lange wachtlijsten in de jeugdzorg.” _ | Deze bepaling is bedoeld als instrument voor toezicht en handhaving, bijvoorbeeld om misbruik of oneigenlijk gebruik tegen te gaan, en niet om gezinnen te benadelen die door externe omstandigheden moeten wachten op de start van zorg. De gemeente handhaaft hier niet actief op wanneer de vertraging aantoonbaar wordt veroorzaakt door wachtlijsten of andere factoren buiten de invloedssfeer van ouders of jeugdigen. Op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zal een besluit tot intrekking nooit worden genomen zonder eerst zorgvuldig navraag te doen en een toelichting te vragen. Als blijkt dat de jeugdhulp nog niet is gestart vanwege een wachtlijst, zal de toekenning niet worden ingetrokken. Dit proces is zorgvuldig ingericht en bevat voldoende waarborgen voor gezinnen. | N.v.t. |
| 8.8 | _“In artikel 10.1 lid c wordt een termijn van vier jaar_ _genoemd, terwijl in bijvoorbeeld artikel 10.1 lid 3 (is_ _aanbestedingswet) en artikel 7.2 lid 3 telkens een termijn_ _van vijf jaar wordt genoemd. Is hier sprake van_ _inconsistentie?” _ | Dit verschil is bewust gekozen en vormt geen inconsistentie. Artikel 10.1, lid 1 onder c ziet op de actuele beoordeling van integriteit en inzetbaarheid van jeugdhulpaanbieders, waarbij een kortere terugkijktermijn van vier jaar passend en proportioneel wordt geacht. De termijnen van vijf jaar in artikel 7.2, lid 3 en artikel 10.1, lid 3 hebben betrekking op zwaardere integriteits- en rechtmatigheidscriteria, zoals fraude of | N.v.t. |
30
| Col1 | Col2 | contractontbinding, waarvoor een langere termijn gerechtvaardigd is. Het verschil in termijnen sluit daarmee aan bij de aard en zwaarte van de betreffende bepalingen. | Col4 |
|---|---|---|---|
| 8.9 | _“In artikel 11.1 wordt gesproken over de onafhankelijke_ _cliëntondersteuner. Deze onafhankelijke cliëntondersteuner_ _zou bij Voorschoten voor Elkaar (VvE) aanwezig zijn. Een_ _zoektocht op de website van VvE brengt hierover echter_ _geen duidelijkheid. Advies van de ASDV is deze_ _functionaris(sen) duidelijk vindbaar te maken op de website_ _van VvE én de gemeente.” _ | De ASDV wijst terecht op het belang van goede vindbaarheid van de onafhankelijke cliëntondersteuning. In Voorschoten is de onafhankelijke cliëntondersteuning belegd bij Voorschoten voor Elkaar (VVE). De ondersteuning is kosteloos en onafhankelijk van het college en jeugdhulpaanbieders, conform artikel 11.1 van de verordening. Het signaal dat de cliëntondersteuner(s) momenteel onvoldoende vindbaar zijn op de website van Voorschoten voor Elkaar en de gemeentelijke website, nemen wij serieus. De gemeente onderschrijft het advies van de ASDV en zal samen met VVE zorgen voor een duidelijke, herkenbare en toegankelijke vermelding van de onafhankelijke cliëntondersteuning op beide websites. Daarbij wordt expliciet aangegeven hoe en waarvoor ouders en jeugdigen de cliëntondersteuner kunnen benaderen. Op deze manier wordt invulling gegeven aan het recht op onafhankelijke cliëntondersteuning en wordt de toegankelijkheid voor inwoners versterkt. | N.v.t. |
| 8.10 | _“In artikel 11.2 wordt gesproken over een_ _vertrouwenspersoon. Ook deze onafhankelijke_ _vertrouwenspersoon is moeilijk vindbaar. De ASDV_ _adviseert een zelfstandige en gemakkelijke vindbare_ _toegang naar de onafhankelijke vertrouwenspersoon op de_ _website van de gemeente beschikbaar te stellen.” _ | Ook voor de functie van vertrouwenspersoon geldt dat we dit signaal zeer serieus nemen. Wij zullen ervoor zorgdragen dat deze functie duidelijk vindbaar zal zijn bij inwerkingtreding van de nieuwe jeugdhulpverordening per september 2026. | N.v.t. |
31
| Nr. 9 Gemeente Voorschoten | Col2 | Col3 | Col4 |
|---|---|---|---|
| 9.1 | _“Artikel 2.1 bevat een lijst algemene voorzieningen, maar_ _preventieve inzet op scholen _ _ontbreekt. Dit staat haaks op de regionale visie Samen_ _rondom de jeugd, waarin preventie centraal staat. _ _Voorstel: _ _Breid Artikel 2.1 lid 2 uit met; _ _• schoolmaatschappelijkwerk, _ _• preventieve groepsprogramma’s (weerbaarheid,_ _faalangst, executieve functies), _ _• laagdrempelige consultatie voor leerkrachten door_ _jeugdprofessionals, _ _• ouder-kind ondersteuning op school. _ _Dit sluit aan bij de rol van scholen als vindplaats en bij de_ _behoefte aan preventieve _ _ondersteuning.” _ | Preventie is een belangrijk uitgangspunt en is reeds onderdeel van het stelsel van algemene voorzieningen (zoals pedagogische ondersteuning, trainingen en inzet van de toegang). De nadere concretisering van preventieve inzet op scholen (zoals schoolmaatschappelijk werk en groepsgerichte interventies) wordt opgenomen in beleidsregels en verder uitgewerkt in regionale en lokale afspraken. Hierbij sluiten wij bovendien aan bij inzichten van het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) over effectieve preventie. | N.v.t. |
| 9.2 | _“Artikel 2.2 - Outreachend werken is te vaag _ _De verordening stelt: “De gemeentelijke toegang werkt_ _outreachend: in de wijk, op scholen, bij kinderopvang _ _en bij huisartsen.” (Art. 2.2 lid 4) _ _In de praktijk is onduidelijk: _ _• hoe vaak de toegang op school aanwezig is, _ _• wie het vaste aanspreekpunt is, _ _• hoe signalen vanuit school worden opgepakt, _ _• hoe gezamenlijke casuïstiekbespreking wordt_ _georganiseerd.” _ | Wij herkennen de behoefte aan meer concretisering van de samenwerking met scholen. De verordening heeft echter bewust een kaderstellend karakter. Nadere uitwerking van frequentie, contactpersonen en werkwijzen vindt plaats in beleidsregels, werkafspraken en uitvoeringspraktijk, mede in afstemming met de gemeentelijke toegang en onderwijspartners. Daarnaast worden samenwerking en aanwezigheid op school reeds geborgd via regionale afspraken en het OOGO en lokale samenwerkingsafspraken onderwijs– jeugdhulp in de LEA (werkgroep integraal arrangeren). | N.v.t. |
| 9.3 | _“Artikel 2.3 noemt OZA (onderwijs-zorgarrangement) en_ _ZOA (zorgonderwijsarrangement), maar werkt niet uit: _ _• hoe deze tot stand komen, _ | De verordening benoemt OZA/ZOA bewust op hoofdlijnen. De uitwerking (rolverdeling, regie, | N.v.t. |
32
| Col1 | • wie de regie voert, • hoe scholen worden betrokken, • hoe financiering en verantwoordelijkheden worden verdeeld. Voorstel: Voeg een nieuw artikel toe waarin wordt vastgelegd dat: • scholen vanaf de start worden betrokken bij het opstellen van een OZA/ZOA; • het ondersteuningsplan en het OPP op elkaar worden afgestemd; • de gemeente de regie voert op zorg binnen schooltijd; • de school een volwaardige partner is in besluitvorming.” | financiering) vindt plaats via: regionale afspraken, uitvoeringsprotocollen en integraal arrangeren (art. 8.5). Deze werkwijze sluit aan bij landelijke ontwikkelingen en jurisprudentie waarin flexibiliteit in integrale arrangementen noodzakelijk wordt geacht. Aanpassing van de verordening is daarom niet wenselijk. | Col4 |
|---|---|---|---|
| 9.4 | _“In Artikel 2.5 lid 3 staat; _ _“Vaktherapie kan alleen worden ingezet als naar het_ _oordeel van het college sprake is _ _van een noodzakelijke bijdrage...” _ _De vraag is: op basis van welke expertise beoordeelt het_ _college dit? _ _Het college is geen inhoudelijk behandelaar. _ _Voorstel: _ _Leg vast dat: _ _• het oordeel van het college altijd gebaseerd moet zijn op_ _advies van een BIG- of _ _SKJ-geregistreerde professional; _ _• het college geen behandelinhoudelijke afwegingen_ _maakt, maartoetstop _ _rechtmatigheid en doelmatigheid.” _ | De verordening borgt dat inzet van vaktherapie alleen plaatsvindt op basis van advies van een gekwalificeerde professional en onder regiebehandeling van een BIG- geregistreerde behandelaar. Daarmee is de inhoudelijke expertise voldoende geborgd. Het college toetst op rechtmatigheid en doelmatigheid, conform de Jeugdwet. | N.v.t. |
| 9.5 | _“Artikel 4.4 beschrijft het ondersteuningsplan, maar_ _scholen worden nergens genoemd, _ _terwijl veel problematiek zich juist op school manifesteert. _ _Voorstel: _ _Voeg toe aan Artikel 4.4 lid 2: _ | Het betrekken van relevante partijen, waaronder onderwijs, is reeds mogelijk binnen het brede onderzoek en de afstemming die het college uitvoert. De wijze waarop scholen concreet worden betrokken wordt nader | N.v.t. |
33
| Col1 | • dat scholen, met toestemming van ouders, worden betrokken bij het opstellen, uitvoeren en evalueren van het ondersteuningsplan; • dat doelen in het ondersteuningsplan worden afgestemd op het OPP en de onderwijsbehoeften van de leerling.” | uitgewerkt in beleidsregels en samenwerkingsafspraken, met inachtneming van privacywetgeving. | Col4 |
|---|---|---|---|
| 9.6 | _“De verordening stelt: “Het college neemt het besluit op_ _een aanvraag uiterlijk binnen acht weken.” (Art. 4.5 lid 1) _ _In de praktijk zijn wachttijden voor diagnostiek, ambulante_ _hulp en specialistische jeugdhulp vaak langer dan 8 weken._ _Dit maakt de termijn onrealistisch en leidt tot _ _onduidelijkheid voor ouders en scholen. _ _Voorstel: _ _• Neem op dat de termijn van 8 weken alleen haalbaar is_ _indien er geen wachtlijsten zijn bij gecontracteerde_ _aanbieders. _ _• Leg vast dat het college verplicht is een tijdelijke_ _voorziening te treffen wanneer wachttijden langer zijn dan_ _8 weken. _ _• Communiceer wachttijden transparant richting ouders en_ _scholen.” _ | De genoemde termijn van 8 weken volgt uit de Algemene wet bestuursrecht en betreft de besluitvorming, niet de feitelijke start van hulp. De verordening biedt reeds ruimte voor verdaging van besluiten en inzet van tijdelijke voorzieningen bij spoed. Wachttijden bij aanbieders zijn een reëel punt, maar worden niet in de verordening geregeld. Dit wordt opgepakt via regionaal contractmanagement (Serviceorganisatie Zorg) en regionale afspraken. | N.v.t. |
| 9.7 | _“In Artikel 5.2 worden factoren genoemd die bepalen of_ _ouders bovengebruikelijke hulp _ _moeten leveren. De rol van school wordt echter volledig_ _genegeerd, terwijl veel _ _hulpvragen juist op school zichtbaar worden. _ _Daarnaast zijn er vragen over: _ _• draagkracht van ouders (door jullie opgemerkt), _ _• financiële gevolgen, _ _• relatie tussen thuis en school, _ _• wat redelijkerwijs van ouders verwacht mag worden. _ _Voorstel: _ | Dit artikel is gebaseerd op NJi-richtlijnen over normale opvoedopgaven en jurisprudentie over gebruikelijke en bovengebruikelijke hulp. De beoordeling vindt plaats op basis van een brede weging van factoren, inclusief afstemming met andere domeinen. De rol van onderwijs kan hierin feitelijk worden meegenomen via het onderzoek, maar hoeft niet expliciet in de verordening te worden opgenomen. | N.v.t. |
34
| Col1 | Voeg toe dat het college bij de beoordeling van gebruikelijke en bovengebruikelijke hulp: • informatie van de school betrekt: • rekening houdt met de onderwijsbehoeften van de jeugdige; • beoordeelt of ondersteuning op school noodzakelijk is om overbelasting van ouders te voorkomen; expliciet maakt hoe de samenwerking tussen ouders, school en jeugdhulp wordt vormgegeven.” | Col3 | Col4 |
|---|---|---|---|
| 9.8 | _“Artikel 11.4 stelt dat informatie-uitwisseling “noodzakelijk,_ _proportioneel en rechtmatig” moet zijn. Dit is juridisch juist,_ _maar praktisch te vaag. _ _Scholen ervaren handelingsverlegenheid over: _ _• wat zij mogen delen, _ _• wat zij mogen ontvangen, _ _• hoe toestemming wordt geregeld. _ _Voorstel: _ _Voeg toe dat: _ _• de gemeente een standaard toestemmingsprocedure_ _ontwikkelt voor samenwerking tussen schooien jeugdhulp; _ _• scholen relevante informatie mogen ontvangen die_ _noodzakelijk is voor passend _ _onderwijs, mits ouders toestemming geven; _ _• gezamenlijke casuïstiekbespreking AVG-proof wordt_ _gefaciliteerd.” _ | De bepaling sluit aan bij de AVG en Jeugdwet en is bewust juridisch geformuleerd. De praktische uitwerking (zoals toestemmingsprocedures en casuïstiekoverleg) wordt uitgewerkt in samenwerkingsafspraken die worden afgestemd met onderwijs en overige betrokken partners. | N.v.t. |
35